Fietsen in Europa

Lanaken - St Petersburg
13/07/2003 to 10/08/2003

Op zondag 13 juli vertrek ik voor het eerst naar het verre noorden. St. Petersburg bestaat net 300 jaar, en dat is voor mij een goede reden om erheen te fietsen. Ik kies voor de route door Scandinavië, omdat de wegen er beter zijn dan in Polen en Rusland.Tegen de middag heb ik al 100 km gereden - traditioneel is de eerste dag altijd een voltreffer. In Haltern, na 186 km, besluit ik om mijn tentje recht te zetten.
Ik rijd in Duitsland slechts door 2 steden: Münster en Osnabruck, waar in 1648 de dubbelvrede van Westfalen werd gesloten.
Over een rustige weg fiets door het noordelijke deel van het Teutoburger Wald. In Otterstedt neem ik mijn eerste rustdag om vervolgens door Das Altes Land verder noordwaarts te rijden. Duitsland bezit best wat fietspaden, maar de staat ervan laat dikwijls te wensen over: zeker met 25 kg bagage is het geen aardigheid om tientallen keren per dag stoepje op, stoepje af te fietsen.

Na 6 dagen fietsen ben ik in Kopenhagen. Een krachtmeting met een lokale fietser in Koge doet me de weg uit het oog verliezen. Aan de zuidkant van de stad ligt een grote camping. Maar ofschoon er slechts enkele tenten staan, zegt een jongen vanuit zijn luie zetel dat er geen plaats meer is. Niets aan te doen, ik zal nog 35 km verder moeten rijden om aan de noordkant, binnen de wallen van het oude Charlottenfort eindelijk een slaapplaatste vinden.
Na een goedendag tegen H. C. Andersen ga ik op zoek naar de zeemeermin. Het beeldje is veel kleiner dan ik had verwacht. Enkele Italiaanse jongeren die obscene houdingen op het onschuldige beeld aannemen, ontgoochelen me nog meer. Een afgebroken tand houdt me een dag langer in Kopenhagen. Namiddag zie ik in een bar hoe Lance Armstrong op Luz Ardiden eerst valt, en dan de Tour wint.
's Nachts regent het, en 's morgens moet ik een natte tent inpakken. Door de regen is het fietspad naar Helsingor bezaaid met slakken. En omdat de fietsroute me voor de zoveelste keer op een dwaalspoor zet, neem ik de hoofdweg. De ferry tussen Helsingor en Helsingborg neemt slechts 20 minuten in beslag. Een bord met een fiets erop doet me geloven dat er een fietsroute is tot Stockholm. Maar na een tiental kilometer beland ik op de autoweg. Omdat ik in Klippan wil zijn besluit ik om de bushalten te volgen. En inderdaad, voor 15 u. ben ik op de ruime en mooie camping van het stadje. Tijd zat om te koken: als voorgerecht traditioneel enkele tomaten, goed gezouten en gepeperd. Daarna pasta met een steak in een of ander snel-klaar-sausje. En als toetje een sinaasappel of een stukje cake met een kop koffie. Enkel de wijn ontbreekt, maar die is hier te duur!

De fietstocht door Zweden is mooi, maar na enkele dagen worden de eeuwig zingende bossen toch eentonig. De wegen zijn rustig en goed, de campings ronduit schitterend. Ze liggen steeds bij een water en hebben alle mogelijke voorzieningen als microgolfoven, koelkast, fornuis enz. Vooral de camping in Tyngsryd is prachtig. Als ik in Horn rustig een aperitiefje zit te drinken, hoor ik plots een luide schreeuw: op het toilet heeft een kind doodsangsten doorstaan omdat er een slang rondkroop. In Kolmarden regent het pijpenstelen. Doornat besluit ik om in Södertalje, een voorstad van Stockholm, te overnachten in een jeugdherberg. Daar kan ik bij dit slechte weer mijn spullen drogen. Het verblijf valt zo goed mee, dat ik besluit om van hier Stockholm te bezoeken. Het is immers maar een half uurtje met de trein.
De Zweedse hoofdstad bevalt me onmiddellijk. Ze is levendig en netjes, en ze ademt zelfs hier en daar een zuiderse sfeer. Twee dagen later vind ik in een jeugdherberg/boot een slaapplaats vlak bij de aanlegsteiger van de ferry die me de volgende ochtend naar het Finse Turku zal brengen. Een volledige dag duurt die overtocht. De grote zeilschepen van de "Tall Ships' Race in de haven zijn een aangename verrassing. De zoektocht naar een camping brengt me uiteindelijk in Naantali. Ik besluit om er een dagje te blijven. Samen met een Duitse fietster bezoek ik Turku en genieten we van de dorpse sfeer van Naantali
In twee dagen fiets ik via Tammisaari naar Helsinki. De camping is er overvol. De stad kan me niet echt bekoren. ook al omdat de mensen er onvriendelijk en afstandelijk zijn. Bovendien kost de Leffe in het café Belge liefst 6 euro! Het enige positieve is dat ik er in tegenstelling tot Denemarken en Zweden weer euro 's kan gebruiken. Twee dagen verder ben ik in Vaalima, een dorpje aan de Russische grens. Het dorpje is zo klein, dat ik voor ik het goed besef, aan de grens sta. De camping ligt 6 km terug. Nadat ik mijn tentje heb rechtgezet, besluit ik te wandelen naar de supermarkt die ik net voor de grens heb gezien. Ik koop alle ingrediënten om spaghetti te maken. Eén portie eet ik tijdens mijn volgende rustdag, de andere zal voor onderweg zijn tijdens de lange rit naar St Petersburg.

Om 5 u sta ik op en om 6 u ben ik aan de grens. Een uurtje later zijn alle formaliteiten vervuld. Zelfs het nummer van mijn fiets wordt genoteerd. In Vyborg besluit ik om van de hoofdweg af te wijken. De weg is slecht maar veiliger. Vanaf Uskovois is er zelfs een soort fietspad tot St Petersburg. Na 218 km bereik ik de stad aan de Neva. Ik heb 2 416 km afgelegd in 18 fietsdagen. Na een telefoontje kan ik die eerste nacht in het appartement van Tanja en haar moeder slapen. Zij zal gedurende 10 dagen een uitstekende gids blijken te zijn in deze schitterende stad. Eerst zoek ik het standbeeld van Lenin waar ik de sigaar die ik van een collega heb gekregen, opsteek. Daarna fiets ik naar het huis van vrieden van Willy waar ik kan blijven overnachten. Ik wandel langs de mooie huizen, paleizen en grachten. Samen met Tanja bezoek ik de Hermitage en het Zomerpaleis. Zij kan me overal als een "Rus" binnenloodsen, en dat scheelt zich vele euro 's! Maar als ik haar de laatste avond uitnodig voor de opera Turandot in het Mariyinsky theater, houdt een oud tantetje me tegen. Ik kan haar niet antwoorden in het Russisch. Tanja vertaalt dat ik het goedkope ticket voor Russen moet inruilen voor een ticket voor buitenlanders. Dat is eventjes 8 keer duurder: 80 ipv 10 euro. Tanja stelt voor een goedkoop ticket te kopen, en als ik mijn plaats heel boven zonder enig zicht op de scene heb ingenomen, komt ze me halen. De twee eerste tickets zijn nog steeds geldig, en samen sluipen we naar het balkon vanwaar we niet alleen een uitstekend zicht hebben, maar ook ten volle kunnen genieten van de prachtige muziek van Puccini. Het was de laatste avond, en een dag later vlieg ik via Praag terug naar huis.

Gent - Malaga
13/07/1997 to 12/08/1997

De fietstocht naar Spanje stond in het teken van Keizer Karel V. Geboren in 1500 in Gent en overleden in 1558 in San Yuste zouden deze twee steden zeker in de route moeten voorkomen.
Met de trein vertrek ik naar Gent. Het weer is slecht, en dat zal de eerste weken niet veranderen. Na me in Gent St Pieters te hebben omgekleed, neem ik enkele foto 's in het prachtige stadscentrum. Daarna fiets ik naar Oudenaarde, de stad waar Karel in 1521 gedurende 6 weken verbleef om de Fransen uit Doornik te verjagen. Daarenboven verwekte hij er bij een zekere Johanna van der Gheenst een dochter, Margaretha, die later als hertogin van Parma landvoogdes van de Nederlanden zou worden.
Door de gietende regen rijd ik langs de Schelde naar Doornik, één van 's lands oudste steden. Hier werd in 465 Clovis geboren. De kathedraal is een stenen boek over de bouwkunst van de romaanse tot de hooggotische stijl. Als ik na 10 minuten de kerk weer buiten kom, stel ik tot mijn ontzetting vast dat één van de fietstassen leeg is. Het is de enige keer dat ik bestolen ben geworden, en dan nog wel in mijn eigen land ...! Woedend om dit onrecht rij ik die dag tot Amiens. Aan de voet van de kathedraal vind ik een prijzig hotel, maar er zijn weinig alternatieven in dit rotweer. Omdat ook mijn zakmes is gestolen, probeer ik in mijn kamer de fles wijn met een schroevendraaier te openen ... maar de kurk floept in de fles, en de wijn eruit. De hagelwitte lakens kleuren bloedrood..

De kathedraal van Beauvais heeft met zijn pijlers van 50 m het hoogste schip van alle gotische kerken. Maar hét hoogtepunt van de gotiek vind ik in Chartres, waar de Notre-Dame al vanop kilometers afstand te zien is. De glasramen en de portalen zijn unieke uitingen van middeleeuws vakmanschap.
De volgende dag steek ik de Loire over. Ik rij door het domein van Chambord, eens het grote jachtgebied van de Frans I, de belangrijkste tegenspeler van Keizer Karel. Het bijhorende kasteel heeft maar eventjes 440 kamers en 365 schoorstenen. Op de mooie camping nabij Blois neem ik mijn eerste rustdag. In Amboise verlaat ik de Loire zuidwaarts. 40 km verder rijd ik langs de parel van de Loire-kastelen: Chenonceau, het kasteel dat Henri II aan zijn maitresse Diane de Poitiers schonk. Maar toen de koning stierf verbande zijn weduwe, de beruchte Catherina de Medici Diane naar Chaumont, en later naar Anet, waar ze in alle eenzaamheid zou sterven.
Loches is nog echt een middeleeuws stadje. Nabij Poitiers kon Karel Martel in 732 de Muzelmannen eindelijk tot stilstand brengen. Langzaam wordt het weer beter. Het is nog steeds bewolkt met regelmatig een bui, maar de temperatuur stijgt. Er vertonen zich steeds meer wijngaarden in het landschap. In Jarnac breekt de zon echt door. Eindelijk kan ik mijn klamme kleren en tent laten drogen. Het stadje waar Mitterand geboren en begraven werd, herbergt ook een van de belangrijkste cognacmerken. Op een mooie zondagochtend laat ik me met plezier rondleiden door de geurende kelders van Courvoisier. Ik krijg bovendien een klein flesje mee, dat 's avonds uitstekend zal smaken.

Nu volgen de wijngaarden elkaar op. Ik bevind me dan ook in het beroemdste wijngebied ter wereld: de Bordeaux. Net als ik de Landes binnenrijd, krijg ik een panne: een spaak is door de velg gegaan. Ik kan niet meer fietsen, enkel als het bergaf gaat, kan ik me laten uitbollen. Kilometers loop ik te voet, tot ik in een klein dorpje een dito camping vind. Maar bij dit ongeluk heb ik ook geluk: een vriendelijk Engels koppel neemt me 's anderendaags mee naar een fietsenmaker, 30 km verder. Ik heb blijkbaar geen alternatief, de enige voor mij bruikbare velgen zijn vuurrode hoge velgen. In de vroege namiddag kan ik mijn tocht verder zetten.
Door de Landes en de Béarnais fiets ik tot St Jean Pied de Port, een trefpunt voor pelgrims die naar Santiago de Compostella gaan. Ik neem er mijn tweede rustdag, niet in het minst omwille van het leuke gezelschap van de Nederlanders Rudi en Stefan, met wie ik 's avonds om 22 u nog een laatste flesje wijn kraak. De pas over de Pyreneën is hier niet zo hoog. Eigenlijk heet hij de Puerto Ibeneta, maar hij is beter bekend als de plaats waar Roeland in de 9de eeuw door verraad werd verslagen door de Saracenen. Ik klim snel naar de pashoogte waar een augustijnerabdij staat. Vanwege mijn rode velgen ... en vanwege de drukte, besluit ik niet naar de losgelaten stieren in Pamplona te gaan kijken. Ik maak dus een kleine omweg en overnacht in het authentieke Estella, la Bella.

Even na Logrono verlaat ik de camino. Al snel biedt zich een flinke klim aan naar de Sierra de Demanda. Er is geen camping onderweg, maar op een mooie rustplaats (met banken en toiletten), bij een riviertje, vind ik een schitterende plek om mijn tentje op te zetten. De volgende dag moet ik weer kilometers klimmen. Een echte afdaling zit er niet meer in. Ik bevind me nu op de meseta, de Spaanse hoogvlakte. In een schitterende kloof blijfik gefascineerd kijken naar de majestueuze gieren die boven mij de nauwe toegang tot het klooster van Santo Domingo de Silos lijken te bewaken. Het is een van de mooiste kerkelijke gebouwen van Spanje. Een professor kunstgeschiedenis van de universiteit van Tübbingen die al enkele boeken over dit klooster heeft geschreven maakt me wegwijs tussen de verschillende schulpturen van kruisafneming, hemelvaart en apocalyps.
De meseta kan heel eentonig zijn met zijn eindeloze graanvelden, en als de wind tegen staat, wordt het loodzwaar fietsen. Ik rij langs het kasteel van Pedraza waar in 1525 koning Frans I na de slag bij Pavia enkele tijd werd gevangen gezet. Sepulveda is een eigenaardig stadje. Je ziet het pas op het laatste moment in een diepe kloof voor je liggen. De weg loopt helemaal tot beneden, om dan een kilometer verder opnieuw naar boven te klimmen.

Zo bereik ik Segovia, een uiterst gezellige stad. De terrasjes onder de arcaden van de Plaza Mayor zijn een ontmoetingsplaats bij uitstek. In 1521 brak hier een opstand uit tegen de nieuwe onbekende keizer die uit het verre Vlaanderen kwam. De Comuneros onder leiding van Juan Bravo dolven echter het onderspit, en alle leiders werden ter plaatse onthoofd.
Reeds in de Romeinse tijd was Segovia een belangrijke stad. Het 30 m hoge en 700 m lange aquaduct stamt nog uit die tijd. Maar ook het alcazar spreekt tot de verbeelding: het was dit kasteel immers dat tot voorbeeld diende voor het begin van de legendarische Disney films.

De weg naar Toledo is niet zonder hindernissen: toch rij ik in minder dan 2 uren naar de topvan de 1860 m hoge Puerto de Navacerrada. Dan volgt een duizelingwekkende afdaling die eindigt op de camping nabij het wereldberoemde El Escorial.
Het statige en strenge gebouw werd in opdracht van Filips II, de zoon van Keizer Karel gebouwd. Er werd meer dan 20 jaar aan gewerkt, en het gebouw heeft zo 'n dan 1200 deuren en 2600 vensters. De uiterlijke soberheid wordt binnen herhaaldelijk doorbroken, niet in het minst door waardevolle Vlaamse wandtapijten en een unieke schilderijenverzameling van Rubens, Van Dijck en Van der Weyden, en ook van Veronese, Titiaan en Tintoretto. Door het Pantheon der Prinsen begeef ik mij naar het Pantheon der Koningen. In deze achthoekige ondergrondse ruimte bevinden zich de sarcofagen van alle Spaanse koningen vanaf Keizer Karel. Boven de graftombe bevindt zich het koor van de kerk met op de achtergrond een magnifiek 30 m hoog retabel. Aan een kant zie ik hoog boven de begane vloer de beeldengroep van Keizer Karel en zijn familie, aan de andere kant zijn zoon Koning Filips II en diens zoon Don Carlos, samen bijna de wonderbaarlijke finale uit Verdi 's opera "Don Carlos" uitbeeldend.

In een boog fiets ik rond Madrid naar Toledo. Er zijn veel nieuwe dorpen, woongebieden voor mensen die in de hoofdstad hun brood verdienen. De wegen zijn uitstekend, maar er zijn geen voorzieningen voor fietsers. Zo beland ik op zeker moment zelfs op de autoweg ...
Aan de oevers van de Taag ligt het statige Toledo. Als smeltpunt van Christenen, Joden en Muzelmannen heeft de stad een rijke historische en culturele erfenis. Na bijna 400 jaar Arabische overheersing werd de stad in 1085 heroverd door de Alfonso VI. In plaats van moskeeën werden nu weer kerken gebouwd, zoals de enorme kathedraal, die nog steeds de zetel is van de primaat van Spanje. Tijdens de regering van Keizer Karel was Toledo de belangrijkste stad van het land. Dat vertaalde zich niet allen in de kathedraal, maar ook in het alcazar, dat als een kroon boven de stad uitsteekt. Tijdens de burgeroorlog was het alcazar in handen van de nationalisten. Maar de republikeinen hadden de zoon van kolonel Moscardo gevangen genomen. Ze dreigden ermee de jongen te doden als de kolonel het alcazar niet aan hen overleverde. maar Moscardo gaf niet toe, en enkele weken later werd de zoon terechtgesteld. Op de camping heb ik een eigenaardige ontmoeting met twee Franse zwervers. Ze zijn 12 jaar geleden hun stad vertrokken wegens "problemen". Meestal te voet zijn ze tot Nepal geweest. Maar nu ze zo dicht terug bij hun thuisland zijn begint bij de een het bloed te kriebelen. Maar de ander wil er niet van weten, en het ziet er naar uit dat de 12 jaar lange vriendschap hier wel eens ten einde zou kunnen komen.

In twee dagen rijd ik westwaarts naar San Yuste: eerst passeer ik Talaveira de la Raina dat bekend staat om zijn kleurrijk porselein. Daarna fiets ik hoog de Sierra de Gredos in. Het is een heel steile en loodzware klim tot de camping in Guisando. De tweede dag is mooi, over rustige wegen door een bebost gebied, en met soms prachtige panorama 's. Langzaam daal ik af naar de valei. In de dorpjes heerst een gemoedelijke sfeer. Voor veel huizen liggen nog zandzakjes ... ook hier heeft het de laatste weken veel geregend.
Men kan zich de vraag stellen waarom Keizer Karel nu juist naar hier kwam om zijn laatste dagen te slijten. Wellicht om rust te vinden; maar ondanks het feit dat hij in 1555 troonsafstand heeft gedaan, komt men van heinde en ver naar hem toe om raad te vragen. Maar Karel is ziek, vooral jicht speelt hem parten. Zijn slaapkamer is zo gebouwd dat hij vanuit zijn bed het koor van de kloosterkerk kan zien en de mis kan volgen. Echte rust vindt hij pas in het najaar van 1558, als hij moe en verbitterd over datgene wat hij niet heeft kunnen waarmaken, de geest geeft. In meer dan 3000 kerken, van Lissabon tot Praag, van Mexico tot Lima wordt een rouwdienst gehouden voor de keizer in wiens rijk de zon nooit onderging.

Ik ben al vroeg uit de veren als ik naar Guadalupe rijd. Ik ben nu in het hart van de Extremadura, een onhergbergzame en arme streek. Vandaar dat uit dit gebied de meeste emigranten kwamen die hun heil in de nieuwe wereld wilden vinden. De bekenste is wellicht Francisco Pizarro, die in Peru de fabelachtige schatten van de Inca 's wist te roven.
Plots ligt er ver beneden mij een stadje dat helemaal beheerst wordt door een enorm klooster: Dit is Guadalupe, na Santiago de Compostella het belangrijkste bedevaardsoord van Spanje. Karel was 25 toen hij het stadje en klooster bezocht. En sinds die tijd is hier niet zo veel veranderd. De souvernierswinkels zullen wel andere kitsch aangeboden hebben, en de terrasstoelen waren zeker niet van plastiek, maar het klooster met zijn zware verdedigingstorens een ware burcht van God, straalt nog steeds een onweerstaanbare aantrekkingskracht en devotie uit. In het koor van de kerk bevindt zich het grootste heiligdom: De Maagd van Guadalupe, de beschermster van alle Spaans sprekende volkeren. Slechts eventjes laten de monikken haar tevoorschijn treden, om haar daarna om te draaien en te laten verdwijen achter gouden deurtjes.

Na zoveel devotie en mystiek ben ik toe aan meer aardse geneuchten. In een café geniet ik van een brandy uit Jerez. Nog voor ik een tweede kan bestellen is mijn glas weer vol: een tractatie van de baas, of was het een wonder van de Maagd ...?
De streek tussen Guadalupe en Cordoba is heel dun bevolkt. Het landschap is eerst afwisselend , maar daarna wordt alles droog en dor. Zelfs rond het stuwmeer van Serena is er geen greintje groen te bespeuren. De enige plekken waar ik me kan bevoorraden zijn de schaarse benzinestations. Als ik Andalousië binnenrijd, wordt het landschap weer vruchtbaarder, en worden de heuvels weer bekroond met de ruïnes van middeleeuwse burchten.
Weinig steden in Europa hebben zulk een weerklank als Cordoba. Hier leefden belangrijke filosofen als de Romein Seneca, de Jood Maimonide en de Arabier Averroes.
Maar het meest bekend is zonder twijfel de mesquita. De moskee met haar 850 zuilen spreekt tot ieders verbeelding. In de 16de eeuw beslisten de christelijke bewoners om een kathedraal midden in de moskee te bouwen. Toen Karel - nochtans een vroom christen - de stad bezocht, merkte hij op dat "wat jullie nu maken, kan men overal maken, wat jullie eerst hadden, dat komt nergens anders voor".

Van Cordoba tot Granada zijn bijna 170 km. Het parcours is nergens vlak, en reeds in de vroege ochtend staat de thermometer op 41°C. De weinige dorpjes liggen allen bovenop een heuvel, en de weg slaat er geen enkel over. Een zeldzame brug is één van de weinige plekken waar ik schaduw vind. Toch bereik ik in de late namiddag de camping in Granada. Maar alle mooie schaduwrijke plekken zijn voor de grote tenten en caravans. Toch slaag ik de volgende ochtend erin om zo 'n plek vast te krijgen door er enkele dankbare Italiaanse rugzaktoeristen ook hun tentje laten op te zetten.
Dit laatste bolwerk van de Moren viel in 1492 terug in handen van de Katholieke Koningen Albrecht en Isabella, de grootouders van Karel. Het Alhambra beheerst de stad. Het is het grootste wereldlijke monument van islamitische kunst, en werd gebouwd in de 13de en 14de eeuw. Het mooiste gebouw binnen het kasteel is het paleis van de Nasriden, het laatste Moorse koningshuis dat in Spanje regeerde. De ongeëvenaarde veelheid van stukwerk, stalactieten, bogen en andere ornamenten doen ons meer dan in eender welk ander paleis dromen van de sprookjes van duizend en één nacht. Maar ook de binnenhoven, waarvan de Leeuwenhof de bekendste is, zijn van een uitzonderlijke evenwichtige schoonheid.
De Moren, voornamelijk Berbers uit het warme en droge Marokko, waren dol op water en groen. Vandaar dat bloemen en planten een belangrijk element vormden in hun architectuur.
Midden in deze uitbundige pracht van steen en natuur, staat het streng klassieke paleis van Keizer Karel. Een cirkel in een viekant, eenvoudig, maar toch met de waardigheid die de keizer eigen was. Het gebouw met zijn dubbele galerijen is een schoolvoorbeeld van de renaissance in de architectuur.
Mijn laatste fietsdag gaat van Granada naar Malaga, via Alhama de Cordoba. Eindelijk krijg ik nog eens een echte afdaling voor de wielen. Ik blijf enkele dagen in de stad aan de zee alvorens terug naar België te vliegen.

Berlijn - Istanbul
04/07/1993 to 07/08/1993

Na de val van de Berlijnse muur was het ogenblik aangebroken om de voormalige satelietstaten van de Soviet Unie te bezoeken. Geen plek leek me beter geschikt om te vertrekken dan Berlijn.
Ik vertrek met de nachttrein vanuit Luik naar Potsdam. Als ik vraag waar de bagagewagon is, vertelt de perronchef dat de fiets niet mee kan. Ik ben geschokt ... ik had me toch goed geïnformeed. Later zou blijken dat er twee treinen zijn, eentje uit Parijs en een ander vanuit Brussel, die in Luik worden samengevoegd. De trein uit Parijs had inderdaag geen bagagewagon, die vanuit Brussel gelukkig wel.
Tegen de ochtend naderen we het station van Potsdam, Ik vind er een mooi gelegen camping nabij de Templiner See. In Potsdam viert men het 1 000 jarig bestaan van de stad. Er is een historische stoet met o.a. "soldaten van keizer Frederik de Grote". Ik bezoek ook het paleis Sanssouci dat in een mooie tuin gelegen is.
Ik blijf twee dagen in Potsdam en bezoek van daar uit met de tram het centrum van Berlijn: het Museuminsle, de Kurfustendam, Checkpoint Charlie, Alexanderplatz enz.  De tweede dag fiets ik over mooie fietspaden en langs parken, meren en kastelen naar Duitslands hoofdstad.
Bij het verlaten van Berlijn voel ik me al vlug helemaal in de oude DDR. Kasseien en kleine vervallen bedrijfjes blijven me later het meeste bij. Via Wittemberg waar Luther zijn 95 stellingen poneerde, en Torgau waar Russen en Amerikanen elkaar voor het eerst ontmoetten in 1945, rij ik naar Dresden. Een twintigtal kilometer voor Dresden passeer ik Meissen dat beroemd is geworden vanwege zijn excellente porselein.
Als ik in Dresden aankom, regent het pijpenstelen. Kamperen is uitgesloten. Ik vind een kleine maar dure kamer in het centrum van de stad. De Mariakirche is nog steeds een ruïne. Duizenden stenen liggen genummerd in rijen klaar om de kerk opnieuw in haar oude glorie te laten herrijzen. De opera is gesloten, en het slechte weer noodzaakt mij om het grootste deel van de dag binnen te blijven.
Langs de Elbe en door de Sächsische Schweiz fiets ik Tsjechoslovakije binnen. De kleine stadjes liggen er verlaten bij en ik fiets snel door om nog voor het donker in Praag aan te komen. Enkele kilometers ten noorden van de stad vind ik een goedkoop en gezellig hotelletje. Ik blijf twee dagen in de stad aan de Moldau en geniet van haar schoonheid, haar rijke geschiedenis en het goedkope bier ... Maar op het Wenceslasplein word ik stil bij het kruis dat er ter nagedachtenis van Jan Palach staat. Hier overgoot de student zich op 16 januari 1969 met benzine en stak zichzelf in brand. Hij overleed drie dagen later. Zijn daad werd een symbool van het ultieme verzet tegen de Russische bezetting van Tsjechoslovakije.
Vanaf Praag fiets ik in twee dagen naar Oostenrijk, langs Tabor en Ceské Budojovice. Het slechte weer houdt aan, en ik voel me steeds meer verkouden worden. Ik neem een extra rustdag in een Oostenrijks gasthaus vooraleer me op weg naar Wenen te begeven. Met het Stift van Melk achter mij, fiets ik over een breed fietspad langs de Donau naar de keizerlijke stad. In Tuln reserveer ik telefonisch een kamer in een studentenhome dat tijdens de vakantieperiode goedkoop logement biedt. Ik blijf er twee dagen en geniet met volle teugen van de pracht en praal van de Hofburg en paleis Schönbrunn. In het home heb ik geluk: het nationaal orkest van Bulgarije repeteert er een klassiek concert, en zo heb ik gratis ook aan mijn muzikale behoeften kunnen voldoen.
Via het kasteel van Esterhaza, waar Haydn zijn grootste triomfen vierde, fiets ik naar Györ. Vandaar volg ik weer de Donau tot in Budapest. De stad bevalt me niet zo en de aanhoudende regen maakt het niet beter. Ik word door het slechte weer zelfs verplicht om drie dagen op de camping te blijven omdat er geen mogelijkheid is om mijn bagage droog te krijgen. Uiteindelijk besluit ik toch te vertrekken. Maar als ik aan de andere kant van de stad uit de vallei van de Donau ben geklommen, begint het weer harder te regenen. Ik stop bij het eerste hotel dat ik tegenkom. Ik mag er al mijn bagage drogen in de warme kelder.
Gelukkig schijnt de zon de volgende ochtend. Ik fiets snel naar het Balaton meer, en vervolgens zuidwaarts naar Szigetvar.. Hier stierf in 1566 tijdens het beleg van de stad, de beroemde Osmaanse sultan Süleyman de Prachtlievende. Zijn dood werd door zijn omgeving verzwegen tot het gebalsemde lichaam terug in Istanbul was. Zo kon de troonopvolging in alle rust en zonder veel bloedvergieten geregeld worden.
Als ik Pecs achter me heb liggen, nodigt een oude man met een Duitse naam me uit om van zijn wijn te komen proeven. Het is nog vroeg in de ochtend, maar als ik de kelder verlaat, is het al laat in de namiddag.. Toch fiets ik nog bijna 100 km tot in Szeged. Vandaar probeer ik zo snel als mogelijk door het arme Roemenië te fietsen. De weg is druk vanwege de oorlog in Joegoslavië. Jonge meisjes staan er te liften, vrachtwagens nemen ze mee en een uurtje later zie ik dezelfde meisjes weer langs de weg staan .... In Drobeda Turnu Severin leest een waarzegster me de toekomst: ik heb niet lang meer te leven! Net voor de grens probeert een 15 jarige jongen me een nog jonger meisje aan te bieden. Enkele kilometers verder zie ik het begin van een eindeloze rij vrachtwagens. Ze moeten alle over het veer naar Bulgarije. Als ik bij het veer aankom, heb ik wagens voorbijgestoken die mij twee dagen tevoren gepasseerd waren. Er kunnen slechts twee vrachtwagens op het kleine veer, maar voor een fiets is altijd plaats.
Ik ben in Vidin, en het lijkt na Roemenië wel het aards paradijs te zijn. Ik neem een rustdag, wandel wat rond, doe een terrasje en maak kennis met twee knappe verpleegsters, Isabelle en Tanja. Ze nodigen me uit om 's avonds met hen naar een discotheek te gaan. Maar dat is niet erg naar de zin van enkele lokale mannen. Dat maken ze me duidelijk als ik naar de WC wil gaan. Terug in de zaak, zijn de meisjes verdwenen. Maar ik heb geen zin om weg te gaan. Bij enkele Hongaarse migranten die zich in de U.S. rijk hebben gemaakt, vind ik goed gezelschap. De zon is al boven de huizen gekolommen als ik terug naar het hotel ga. Ik koop nog vlug een hamburger in een tentje, De man - Vladi - nodigt me uit om hem in Sofia te gaan bezoeken.
Het wordt een korte slaap, en een lange dag. Ik besluit  eerst bij Isabelle langs te gaan om te vragen wat er eigenlijk aan de hand was. Haar vader doet open, en binnen de minuut zit ik aan tafel met een fles sterke drank en stukken worst. Als ik een uurtje later met veel moeite het appartement kan verlaten, weet ik nog steeds niet wat er de avond tevoren was gebeurd!
Ik bereik Sofia in de avond. Het hotel is redelijk en ik slaap bijna 12 uren aan een stuk. Op het grote plein maak ik kennis met Zlatko Spassov, een schilder die iconen verkoopt. Ik koop er eentje, en ik zal nog jaren later kerstkaarten van hem krijgen. Omdat er niet veel te doen is, laat ik een taxichauffeur het kaartje van de hamburgerman zien. Hij brengt me tot een eind buiten de stad. Het blijkt een café te zijn, en als ik binnenstap, volgt er onmiddellijk een "hello Mark ...". Ik ben verrast dat Vladi mijn naam nog weet. Samen met enkele vrienden gaan we eerst eten en daarna .... drinken. Als ze me met de wagen terug naar het hotel willen brengen, zien we in de verte een politiecontrole. Wat nu gedaan? Plots stelt Vladi voor om naar de politie te wandelen. Hij legt ze uit dat ze motorpech hebben en dat ik naar het centrum moet. Maar de politie kan niet helpen omdat ze niet voldoende benzine hebben. Geen nood, ze bellen een andere wagen, en zo brengt de politie mij terug naar mijn hotel.
Via Plovdiv rij ik naar Edirne. Bij het binnenrijden van de stad zie ik een beeldhouwwerk dat het kirkpinar voorstelt, het typisch Turks worstelen waarbij de sporters zich volledig met olie inwrijven, en als opwarming grote been - en armbewegingen maken.
De Selimiye moskee is de mooiste en grootste van de bekende architect Sinan. Dan fiets ik in één dag van Edirne naar Istanbul, een rit van meer dan 250 km. Ik stel mijn fietscomputer in zodat de tijd bij het stilstaan blijft doorlopen. Als ik om 6 u. vertrek, en gemiddeld 17 km/u afleg, dan ben ik om 20 u. in Istanbul. Het schema werkt, ondanks het heuvelachtig parcours en de tegenwind.
Ik blijf nog enkele dagen in de stad aan de Bosporus alvorens terug naar België te vliegen.
Lanaken - Istanbul - Lanaken
30/06/1988 to 16/08/1988

Met gemengde gevoelens vertrek ik in de vroege ochtend naar het oosten. Ik had me goed voorbereid, maar het binnenland van Joegoslavië en vooral Turkije zijn me totaal vreemd. Eenmaal op de fiets wijken alle bedenkingen voor die ene gedachte: over 4 weken wil ik in Istanbul zijn!
De eerste dag fiets ik al tot voorbij Koblenz. Pas als het in de late namiddag begint te stortregenen, zoek ik in Rhens een kamer. Van op de Königssthul heb ik een mooi panorama op de Rijnvallei. Het is aangenaam fietsen langs de rivier. In de verte duikt de dreigende Lorelei op. In Mainz steek ik de machtige rivier over om vervolgens door het Odenwald naar de Romantische Strasse te fietsen. Ondanks het fietspad heb ik op korte afstand 3 lekke banden. In het prachtige Rothenburg o/d Tauber zet ik voor het eerst mijn tentje recht. Daarna volgen tal van andere historische stadjes als Dinkelsbuhl, Nordlingen en het Kasteel van Harburg. In Augsburg stop ik eventjes in de Függerei. Het zijn de oudste sociale woningen in West Europa, in de 16de eeuw opgericht door de rijke bankiers Függer. 
Met behulp van een lokale fietser beland ik de volgende dag in het centrum van München. Daarna gaat het verder door een glooiend landschap. Net over de Oostenrijkse grens vind ik in Oberaudorf een mooie camping tussen de rotsen. Door Oostenrijk rijden wordt een loodzware opdracht. Eventjes twijfel ik nog of ik over de makkelijke Brennerpas of over de hoge Grossglöckner zal rijden. Maar de uitdaging om 's lands hoogste berijdbare pas te nemen is te verleidelijk. De Griessenpas is een eerste test. Daarna neem ik eventjes voorbij Zell am See een rustdag. Nou ja, rustdag ... ik wandel zo 'n 15 km. van Fuss naar Zell en terug. 
Onder een dreigende hemel vertrek ik vanuit Fuss over een licht stijgende weg naar de tolweg. Wagens moeten hier betalen, maar voor fietsers is het "gratis"... Er staat veel wind, en dat maakt de rit extra gevaarlijk. Mijn tassen lijken wel zeilen, en als er weer eens een autocar voorbij komt, word ik plots uit de wind gezet, en dreig ik bijna om te vallen. Mijn versnelling is niet groter dan 28 x 26. Over 13 km klim ik 1 300 m., een stijgingspercentage van 10 percent. In Piffkar neem ik eventjes rust, en een warme chocolademelk geeft me nieuwe energie. De korte afdaling net voor de top breekt het tempo zodat de laatste kilometers, ofschoon niet meer zo steil, toch loodzwaar zijn. Na bijna 3 uren zwoegen, sta ik op de pashoogte van 2505 m. Overal ligt sneeuw, en het is ijskoud.  Na een helse afdaling langs Heiligenblut staan er nog 2 cols te wachten. Uiteindelijk neem ik in Laas een kamer bij een oude weduwe die het fijn vind om de ganse avond met me te kletsen. Na de Plöckenpas daal ik de volgende dag af naar de Adriatische Zee. In Muggia, eventjes voorbij Trieste, vind ik een slecht verzorgde camping.
Als ik enkele kilometers over de grens tussen Italië en Joegoslavië een verbodsplaat voor fietsers zie, neem ik een zijweg. Maar na het eerste dorpje moet ik gedurende 3 km te voet lopen omdat de weg onberijdbaar is. Uiteindelijk beland ik op het eiland Krk.  Van Krk tot Zadar fiets ik afwisselend over enkele eilanden en over de kustweg op het vasteland. Rusten doe ik op de verschillende veerboten. Plots zie ik twee Franse fietser die zowel fysisch als mentaal uitgeput blijken. Ik kan ze niet helpen, en laat ze snel achter. In Pag proef ik van de beroemde Pasjka sir, en ik koop ook een liter wijn. 
Vanaf Zadar fiets ik enkel nog over de Jadranska Magistrale, de prachtige maar gevaarlijke kustweg. Het landschap wordt alsmaar mooier: aan de ene kant de mooie witte bergen, aan de andere kant de heldere blauwe zee. Split is gezellig en levendig. Het centrum wordt gevormd door de resten van het paleis van de Romeinse keizer Diocletianus, de laatste christenvervolger. Ook het museum van de beroemde beeldhouwer Mestrovic is de moeite meer dan waard. Een lange rit van 230 km. brengt me in de parel van de Adriatische Zee: Dubrovnik. Een halve dag vertoef ik tussen de historische gebouwen. Maar ik ben moe, en namiddag neem ik een duik in het heldere water. Op de camping drink ik 's avonds met een Belgisch koppel uit Anthisnes een glaasje slivoviç.
De laatste rit langs de kust brengt me tot een zee-inham die op een Noors fjord lijkt: de Boka Kotorska. Met een veerboot vaar ik naar de overkant. In Kotor sla ik mijn tentje op. Als ik mijn fiets check, merk ik dat het grootste tandwiel achteraan stuk ik. Ik zal mijn kleinste versnelling niet meer kunnen gebruiken. Van zeeniveau stijgt de weg met 28 haarspeldbochten naar de 1 212 m. hoge Lövcenput, de pasweg naar Montenegro. Na een korte afdaling bereik ik Cetinje, de vroegere hoofdstad van Montenegro. Het voormalig paleis van begin 19de eeuw werd "Biljarda" genoemd omdat Njegos Petrovic een heuse biljarttafel met ezels over de hoge bergen liet sjouwen om hem als pronkstuk in zijn residentie te zetten.
Langs de huidige hoofdstad Titograd (nu Podgorica!) rij ik de grillig mooie Moraca-kloof binnen. Onderweg overnacht ik op een privé-camping bij enkele Servische families. Kosovo heeft een heel ander gezicht dan Kroatië of Montenegro. Auto 's zijn er nauwelijks en de kerktorens zijn  vervangen door minaretten. Deze streek is duidelijk veel armer dan de rest van Joegoslavië. 
Van de hoofdstad Pristina rij ik in één dag naar  Skopje in Macedonië. Er is een aangename camping waar prachtige lokale muziek klinkt. Na een dag fietsen is er niets zo aangenaam als een fikse wandeling door de stad aan de Vardar. Ze heeft een bewogen geschiedenis, niet in het minst door de aardbevingen die duizenden mensenlevens hebben gekost. De laatste was op 26 juli 1963, een dag die geboekt staat als de langste dag van Skopje, een dag die ik me zelfs nog herinner van de toenmalige kranten.
Ik ben net 3 weken onderweg als ik in de schaduw van de Witte Toren in Thessaloniki geniet van een heerlijke dubbele ouzo. De verse groene olijven doen me nog een tweede bestellen ... Dat breekt me eventjes later zuur op als blijkt dat de camping nog zo 'n 30 km verder ligt.  Samen met Ushi beleeft ik twee heerlijke dagen op Agia Triada. Maar dan moet ik weer verder. In Kavala werd in 1769 Mehmet Ali geboren. Hij zou later de grondlegger zijn van de Egyptische onafhankelijkheid.
In Alexandroupolis word ik op de camping door Hansjorg en Marianne uitgenodigd om bij hen het avondmaal te gebruiken. Er vloeit overvloedig wijn en ouzo. Als ik terug naar mijn tent ga, moet ik eerst ook nog enkele biertjes drinken met een stel Elzassers. De grens tussen Griekenland en Turkije wordt streng bewaakt. De eerste kilometers na de grens is er niets te zien. Pas in Kesan lijk ik terug in de bewoonde wereld te komen. Het eten in een hotelletje langs de weg smaakt me zo goed, dat ik  besluit om er te blijven overnachten.
De 27ste dag ... nog 210 km tot Istanbul. In Tekirdag wil ik geld wisselen. Maar het is Kurban Bayram en alle banken zijn voor enkele dagen gesloten. Ik ben dus verplicht om vandaag nog in Istanbul aan te komen. Ik deel mijn dag zo in, dat ik, met de rustpauzes inbegrepen, een gemiddelde snelheid van 18 km/u haal. Zo beriek ik tegen 8 u. 's avonds een camping in één van de voorsteden van het oude Constantinopel.
Mijn eerste verblijf in Istanbul is niet zo 'n meevaller. Door de vermoeidheid heeft de onophoudelijjke drukte een stresserende invloed op me. Ik bezoek wel de belangrijkste monumenten als de Blauwe Moskee, het Topkapi paleis, het hippodroom en de Aya Sofia. Vooral deze laatste maakt een onuitwisbare indruk op mij. Als ik na twee dagen de stad verlaat, weet ik nog niet hoe nauw deze metropool mij in de toekomst aan het hart zal gaan liggen.  Ik besluit om een ferryboot naar Yalova te nemen, om vandaar door het noordwesten van Anatolië naar Izmir te rijden.
Pas in de late namiddag kom ik in Yalova aan. Het zijn nog 65 km. tot Bursa. De camping is er duur en erg "basic". Maar de stad is mooi, vriendelijk en rustig. Bursa was de eerste echte hoofdstad van het Osmaanse Rijk. Ze bezit tal  van historische monumenten alsook de graftomben van Sultan Osman I die zijn naam aan zijn volk zou geven.
Tussen Bursa en Bergama moet ik vrij kamperen achter een verlaten tankstation. Erg goed slaap ik niet op deze eenzame plek. Via een binnenweg bereik ik Bergama, het antieke Pergammon. Voor het eerst wordt ik geconfronteerd met de Turkse honden die mijn kuiten als een lekker stuk vlees zien ....De mensen in Bergama kijken vreemd op als ik met mijn beladen fiets de Akropolis beklim. Het grote Zeur-altaar staat al meer dan een eeuw in Berlijn, waar het museum zelfs zijn naam aan deze antieke stad ontleend heeft. Enkel een trap en twee eiken duiden de plaats aan waar eens dit monumentale bouwwerk stond.
In Izmir stap ik dadelijk het kantoor van de Turkse Maritieme Dienst binnen. Voor 435 Duitse marken kan ik een plaats boeken op de boot die aanstaande woensdag naar Venetië vertrekt. Ik heb dus nog vier dagen om de moderne stad te verkennen. Reeds de volgende dag rij ik met een dolmus naar Efeze. Zelfs in Griekenland heb ik geen antieke stad gezien die zo mooi is als het antieke Efeze. De volgende dagen wandel ik vooral door de drukke en nauwe steegjes van de bazaar van Izmir. Regelmatig word ik uitgenodigd voor een thee en een gesprek. De hartelijkheid van de mensen is één van de meest aangename ervaringen van deze reis. De laatste dag op de camping kom ik Kees tegen. Zijn fietsvakantie begint pas. Ik kijk vragend naar zijn bagaga: twee kleine fietstasjes ... "twee onderbroeken en twee T-shirts zijn toch wel voldoende ..." legt hij zuinig uit.
De boottocht met de Samsun is aangenaam. Slapen doe ik op het dek, tussen een aantalmotorrijders. Eén van hen geeft me een boek "So Weit die Füsen Trägen". Nog voor ik thuis ben, zal ik het uit hebben.
Met een schip in Venetië aankomen is een unieke ervaring. Na de douane rij ik tot bijna in Verona. Ik kampeer er gewoon langs de weg. De volgende dag ontbijt ik in de romantische stad aan de Adigo. Door een heuvelachtig landschap rij ik verder naar het meer van Lecco.  De alpen overschrijd ik door in één dag zowel de Nufenen (2 478 m.) als de Grimsel (2 165 m.) te beklimmen In Kölliken kan ik bij de ouders van Ursula overnachten, een jonge vrouw die ik op de ferryboot had leren kennen. Om mezelf te motiveren voor de laatste dagen besluit ik dat ik 's middags uitgebreid mag gaan lunchen als ik voor 12 u. 100 km. op de teller heb staan. Bijna elke dag zit ik twee keer aan tafel ... In Puttelange-les-Lacs, ergens tussen Straatsburg en Metz, resulteert dat in een heus eetfestijn. Café-restaurant "Central" heeft die zondag voor 100 Franse francs het beste van het beste op zijn buffettafel staan, van zeevruchtensalades tot wildgebraad. Na een biertje als aperitief beslis ik toch maar een flesje wijn te nemen. 
Als ik na 51 dagen en bijna 5 000 km.fietsen thuis aankom, blijkt dat ik niet 1 kg. ben afgevallen!

Lanaken - Rome - Lanaken
02/07/1985 to 15/08/1985

Na de korte fietsvakantie in 1984 besloot ik een jaar later een lange reis te maken. Het doel was Rome, de Eeuwige Stad aan de Tiber.
De eerste vijf dagen reed ik met mijn vriend/collega Bert tot in de Morvan, een prachtig natuurpark in centraal Frankrijk. Daarna klom ik alleen over de Petit St Bernard naar Italië, waar ik in Genua op mijn vriendin Viviane wachtte. Samen reden we vervolgens langs de Ligurische kust naar de Toscaanse kunststeden: Pisa, Firenze en Sienna. Via Bolsena bereikten we Rome waar we enkele dagen bleven.
Langs de kust fietsten we terug noordwaarts tot Piombino om er de ferry naar Corsica te nemen. Viviane nam in Bastia de trein naar Ajaccio, maar zelf reed ik in twee dagen door het woeste binnenland van het eiland. Na de verjaardag van Napoleon gevierd te hebben stoomden we met een andere ferry naar Marseille. Tot Avignon fietste Viviane nog mee, maar vanaf de pauselijke stad snelde ik alleen in 5 dagen terug naar België.
Lanaken - La Bourboule
15/07/1984 to 19/07/1984

De allereerste meerdaagse fietstocht leidde me eerst langs de oevers van de Maas tot in Frankrijk en vervolgens door eindeloze korenvelden naar het Centraal Massief.
De eerste dag fietste ik tot Charleville-Mézières. Ook de volgende jaren zou de eerste fietsdag meestal één van de langste zijn. Drie dagen fiets ik door een glooiend landschap van korenvelden en kleine dorpjes. De zon schijnt ongenadig, en in Troyes moet ik in een apotheek extra zonnebrandcrème kopen om mijn bovenbenen te beschermen. De (goedkope) koersbroek is te kort, en ik begrijp nu waarom de pijpen tot bijna aan de knieën reiken.
In Moulin zak ik 's avonds door met enkele Engelsen. Als 's morgens één van hen zijn portefeuille niet meer vindt, verdenken ze mij. Maar gelukkig blijkt zijn beurs ergens tussen de kussens van hun volkswagen busje te liggen.
Na vijf dagen fietsen bereik in la Bourboule. Het is een gezellig en mondaine stadje, bekend om zijn thermische bronnen, en gelegen tussen de Puy's. Ik heb er een afspraak met mijn vriendin Viviane met wie ik nog een week in deze prachtige omgeving zal verblijven.