Fietsen in het Nabije Oosten

Hattusas - Luxor
02/07/1992 to 31/08/1992

De Kadesh-trail is een fietstocht door één van de grote brandhaarden van de twintigste eeuw. Aanleiding voor de tocht was echter een vredesverdrag. Het Verdrag van Kadesh werd gesloten in 1269 v.C. tussen de Hettitische koning Hattusilis en de Egyptische farao Ramses II. Het verdrag werd geschreven in spijkerschrift op kleitabletten. Zij werden in 1906 door de Duitse archeoloog Winckler gevonden in de oude Hettitische hoofdstad Hattuşaş (Bogazköy). Het is nu te bewonderen in het Archeologisch Museum van Istanbul. Maar hetzelfde verdrag vinden we ook terug op de muren van de grote Amon tempel in Karnak, Luxor. Daar is het geschreven in hiërogliefen: "Als een vijand van buitenaf tegen het land van Egypte optrekt, ... dan zal de koning van Hatti zijn soldaten en zijn strijdkarren sturen, en hij zal de vijanden aan stukken slaan".

De tocht begint in Hattuşaş en zal door centraal Turkije, Syrië, Jordanië en de Sinaï woestijn naar de vruchtbare Nijlvallei lopen. Daar zal ik nog 600 km. zuidwaarts rijden tot Luxor.De eerste dagen van juli '92 is het slecht weer in Turkije. Toch beleef ik in Istanbul in het charmante gezelschap van Emel enkele fantastische dagen die we aan de poort van het Topkapi serail besluiten met het bijwonen van Mozarts Entphürung aus den Serait. Ankara staat helemaal onder water. Maar als ik met de bus in Hattuşaş aankom, schijnt tussen de wolken een stralende zon. Toeristen zijn er niet. Toch is de site een bezoek meer dan waard. De meters dikke stadmuur met haar enorme poorten doet me denken aan de oude Myceense steden.

De eerste dag rij ik tot Sarikaya waar ik het stof van mij af laat schrobben in de lokale hammam. Luxueus is het niet, maar de prijs bedraagt maar een fractie van wat ik in Istanbul betaal. Bovendien komt de "beul van dienst" ook nog echt op mijn rug dansen ...! Cappadocië, waar ik vorig jaar nog was geweest, laat ik rechts liggen. Kayseri is een belangrijk tapijt - en wolcentrum. Als ik er door de straten wandel, word ik herkend door één van de tapijtenverkopers waar ik vorig jaar mee gepraat heb. Onderweg zijn er veel honden die vervaarlijk achter me aan hollen. In een restaurantje raadt een Turkse migrant die in Nederland woont, me aan niet weg te fietsen van de honden, maar te stoppen en lieve woorden tegen ze te zeggen. Nog geen half uur later rennen er weer twee kangals naar me toe ... ik schraap alle moed bijeen, knijp ... in mijn remmen en ... de honden houden stil, draaien zich om en keren terug naar de kudde schapen.Na een frisse watermeloen op de Cilicische Poort - één van de weinige bergpassen over het Taurosgebergte - daal ik af naar de Middellandse Zee. Het is dezelfde weg als eens Alexander de Grote volgde om bij het kleine riviertje Issos, de basis te leggen voor zijn (kortstondig) wereldrijk.

Aan de Turks - Syrische grens moet ik een uur wachten vooraleer men zeker is dat mijn fiets niet in mijn paspoort moet ingeschreven worden. De Arabische wegwijzers zijn in het begin nogal onduidelijk voor me. Toch bereik ik snel Aleppo. De citadel is één van de machtigste gebouwen in het Nabije Oosten, en de soeks met hun kilometers lange steegjes zijn een waar doolhof. Een verkoper vraagt mijn adres om me een half jaar later een kerstkaart te sturen, met het adres op de briefomslag geplakt met uit een krant geknipte letters!De noria 's in Hama maken een onuitwisbare indruk op me. 24 Uren per dag, 7 dagen in de week, al eeuwen lang ... stuwen ze met hun kreunend geluid het water van de Orentes naar de hoger gelegen delen in de stad en omgeving. Homs kan me niet bekoren, evenmin als Kadesh, waar van het toenmalig slagveld van 1299 v.C. zelfs met veel fantasie niets te zien is. Als ik 's avonds 140 km. verder in Damascus aankom, merk ik dat ik mijn paspoort en visum in Homs in het hotel heb laten liggen. "Geen nood", zegt de hoteleigenaar nadat ik hem het adres van het hotel in Homs heb gegeven. Ik krijg een kamer, en tegen middernacht word ik gewekt. In de lobby staat de receptionist van het hotel in Homs met mijn documenten. Hij is met een bus gekomen, en heeft niet veel tijd omdat hij 's morgens weer werken moet.  Nog in Damascus heb ik het geluk een hoge ambtenaar van het ministerie van cultuur te ontmoeten. Hij leidt me rond in het nationaal museum en laat me o.a. de voor toeristen nog niet toegankelijke synagoge van Doura Europos zien.  De soeks van Damascus kunnen de vergelijking met die van Aleppo niet doorstaan. Maar dat wordt ruimschoots goedgemaakt door de 136 m. lange en 35 m. brede Omayaden Moskee. Ze werd gebouwd in de 8ste eeuw. De ornamenten werden vooral door christelijke kunstenaars gemaakt. Binnen wordt het hoofd van Johannes de Doper bewaard, die zowel door de christenen als door de moslims wordt vereerd. Over een eenzame weg rijd ik verder naar de Jordaanse grens. Na de gebruikelijke formaliteiten bereik ik het Romeinse Gerasa, een ruïnestad die zich bijna met Efeze kan meten. De 600 m. lange hoofdstraat of mese was versierd met Ionische en Korintische zuilen. Ze leidde naar het theater, het hippodroom en vooral de grote Artemis tempel met zijn 14 m. hoge zuilen.

Tussen Gerasa en Amman moet ik kilometers lang over een onverharde weg rijden. In de Jordaanse hoofdstad neem ik vooral rust. Behalve het Romeins theater en de Dode Zee-rollen is er niet veel te beleven. Zo vertrek ik enkele dagen later goed uitgerust over de Koningsweg naar Petra. Maar eerst moet ik enkele keren van op het 1000 m. hoge plateau afdalen naar een wadi, om daarna terugomhoog te klimmen. De Wadi Mujib is de diepste kloof: na een spectaculaire afdaling en een klein bruggetje over een uitgedroogde beek, moet ik bijna 1000 m. hoogteverschil overwinnen, geen sinecure bij een temperatuur van meer dan 40°C en met 25 kg. bagage.Maar de beloning is groot: Petra is één van de mooiste plekken die ik ooit heb gezien. De Siq, een 2 km lange kloof met rotswanden van soms 100 m. hoog en op plaatsen slechts 2 m breed, vormt de enige toegang tot de stad. En als je erdoor bent, sta je plots voor El Khazheh, de Schatkamer, een 40 m hoge grafkamer, uitgehouwen in de kleurrijke rotsen. Voor velen is het vooral bekend als de plaats voor het ultieme gevecht van Indiana Jones in "The Last Crusade".  Een volle dag heb ik nodig om de belangrijkste plekken te bezoeken. Soms is het zelfs beter om je ergens in de schaduw neer te zetten en weg te dromen over de tijd dat de stad tijdens de Nabateeërs nog een welvarend centrum was op de karavaanroute tussen Aqaba en Damascus. Met snelheden van soms meer dan 70 km/u. daal ik van het plateau 1000 m. dieper af naar Aqaba. Daar neem ik weer enkele rustdagen, geniet ik van de wondere onderwaterwereld en heb een praatje met lokale mensen. Als enkele havenarbeiders me vragen wat ik vind van hun land, ben ik natuurlijk vol lof ... maar de stenengooiers van Tafila lagen wel nog op mijn maag. "Ach", antwoorden ze, "trek het je niet aan. De mensen in Tafila zijn een beetje gek ..." Ik trek fronsend mijn wenkbrauwen op, tot er eentje zegt: "... want wij kunnen het weten, wij zijn immers van daar ...!" 

Omdat ik niet door Israël mag, neem ik in Aqaba de boot naar Nuweiba. De volgende ochtend vertrek ik voor een rit van 130 km. naar het 1600 m. hoger gelegen St. Katharina klooster. Onderweg besef ik dat de woestijn niet zo leeg is als hij op het eerste zicht lijkt: jakhalzen, dromedarissen, hagedissen ... en zelfs mensen leven hier. Onder een eenzame boom zitten 2 bedoeïenenvrouwen. Ze roepen naar me en ik besluit halt te houden. In een zwartgeblakerd verfpotje koken ze water voor de koffie. Plots kruipt er uit de enige boom in de verre omtrek een derde vrouw. Waar had ik ook weer gelezen dat bedoeïenen hun waardevolste bezittingen in de bomen hangen? Na deze korte pauze begeef ik me opnieuw op weg. Plots zie ik in de verte het herderinnetje Nora met enkele geitjes naar me toe komen. In gebarentaal maakt ze duidelijk dat ze dorst heeft. Ik geef haar water. Dan doet ze teken dat ze ook iets wil eten. Ik geef haar brood en enkele koekjes. Dit is het moment, denk ik, om een close-up van deze gesluierde jonge vrouw te maken. Als ik het haar vraag, spreekt ze haar eerste woorden ... "money, money". Het St. Katharina klooster is een unieke plek. Het werd in de 6de eeuw gebouwd door de Byzantijnse keizer Justinianus aan de voet van de Mozesberg, en op de plaats waar de leider van de Joden het brandend braambos zag. De muren zijn 18 m hoog, en pas in 1801 werd er een deur in gemaakt. Het klooster bezit na het Vaticaan de grootste collectie manuscripten en iconen van de christelijke wereld.
Van St. Katharina naar Cairo zijn bijna 500 km. Ik doe er 3 dagen over. Elke dag drink ik behalve thee en frisdrank zo 'n 12 liter water. Omdat er geen hotel is tussen St. Katharina en Suez, slaap ik onder de palmen in mijn tentje. 's Morgens word ik wakker door het gestommel van een ezel. Als ik me buiten omkleed, hoor ik tussen de struiken plots het gegiechel van bedoeïenenvrouwen. Wellicht hebben ze voor het eerst in hun leven een naakte westerling gezien. Het is al bijna donker als ik in Suez aankom. Net op tijd om in het hotel getuige te zijn van een bruiloftsfeest. Een dag later ben ik in Cairo.

Fietsen in de Egyptische hoofdstad is geen sinecure. Ik word door een bus aangereden. Gelukkig zonder veel erg. Maar als de bestuurder me uitlacht, vlieg ik hem naar de keel. Een politieagent komt tussenbeide, en de chauffeur biedt zijn verontschuldigingen aan. Ik vind een hotelletje in het centrum van de stad, op loopafstand van het museum. Daar is het door de drukte en door het grote aanbod moeilijk genieten van zoveel oudheidkundige schatten. Ik bezoek ook de citadel, de souk Khan el-Khalili, en enkele moskeeën.
De pyramides laten niemand onberoerd, maar meer nog geniet ik als ik van de toeristische paden afwijk. Ik kom terecht in enkele rotsgraven waar nog overblijfselen van skeletten liggen. Langzaam dwaalt mijn geest af naar de tijd van de farao 's .... tot een bewaker me wegjaagt.
Als de zon haar eerste stralen op de piramiden werpt, ben ik al op weg. Bij de trappiramide van Zjoser ben ik vooral onder de indruk van de oudste geschriften op de muren van de graftombe van Unas. Met een veerpont vaar ik naar de overkant van de Nijl waar zich zich Tell El-Amarna bevindt, de kortstondige hoofdstad van de "ketterkoning" Echnaton. Hij brak met de eeuwenoude tradities en koos voor het monotheïsme van Aton. Veel is in Amarna niet te zien, maar de gedachte aan de revolterende farao en zijn beeldschone echtgenote Nefertete maken veel goed.
Abydos was het heiligdom van Osiris, de god van het hiernamaals. Op de muren van de tempel van Sethos I, vader van Ramses II, staan reliëfs die de strijd bij Kadesh weergeven. Ik fiets verder in de vruchtbare Nijlvallei, langs prachtige duivenkastelen, kleine lemen huisjes en hard werkende fellah 's. 6 Dagen en 770 km. vanaf Cairo kom ik aan in Luxor. Dit was gedurende vele eeuwen de belangrijkste stad van het Egyptische Rijk. Het centrum wordt ook nu nog gedomineerd door de grote tempel. Enkele kilometers noordwaarts, in Karnak,  ligt de grote en belangrijke tempel van Amon. Ik wandel tussen een woud van 134 "stenen papyrusstengels" tot ik op een buitenmuur voor een lange tekst in hiërogliefen sta: het Verdrag van Kadesh!
Een laatste bezoek breng ik op de westelijke oever van de Nijl. Daar, waar de zon onder de aarde verdween, begroeven de Egyptenaren hun koninklijke doden. Geen piramiden zoals ze 1 000 jaar eerder deden, maar rijk versierde graven, diep verborgen in de rotsen. Toch werden de meeste gevonden en geplunderd vooraleer moderne archeologen ze ontdekten. Alleen Howard Carter had "geluk" toen hij hier het ongeschonden graf van Toet Anch Amon blootlegde.

Met de trein naar Alexandrië is het begin van de terugreis. Vanuit dit antieke centrum van kunst en cultuur heb ik een minicruise besproken naar Venetië. Daar spring ik na 12 dagen weer op mijn fiets voor nog eens 1200 km. Als ik na 2 maanden thuis aankom, heb ik 4 648 km. afgelegd in 35 fietsdagen.

Izmir - Trabzon
30/06/1991 to 09/08/1991

Midden in de nacht landt de airbus op de luchthaven van Izmir. Na een onbeduidende controle draai ik de pedalen aan mijn fiets, zet het stuur recht en pomp de banden keihard op. Ik besluit om in de zwoele nacht in de richting van de kust te fietsen. Af en toe hoor ik in de verte het gejank van honden, of zijn het wolven ...? In een dorpje wordt er nog feest gevierd. Ik fiets verder, maar na een 30 tal kilometer begin ik toch een slaapplaats te zoeken. Ik heb geluk: een eenvoudig pension biedt me een zacht bed en 's morgens een goed ontbijt. De volgende dag rij ik eerst naar Kuşadasi, en vervolgens naar Selcuk. Daar vind ik een "Bella" hotelletje. Ik heb nog een halve dag voor me, en dat geeft me de gelegenheid om nog eens het prachtige Efeze te gaan bezoeken. In de Agora koop ik een Dösemealti tapijt. Het wordt opgestuurd, en zal nog voor mij in België aankomen. 
Twee dagen fietsen leiden me naar de necropolis van Hiërapolis en de oogverblindende terrassen van Pamukkale. Reeds de Romeinen kenden de helende werking van dit mineraalrijke water. Zo werd deze plaats een belangrijk kuuroord van de Oudheid. Weer twee dagen heb ik nodig om van Denizli naar Antalya te fietsen. Er is weinig verkeer op de weg naar Korkuteli. Op de velden wordt hard gewerkt. Het pastorale landschap met schaapherders, graanvelden en zelfs papaverplantages doen me vergeten dat ik bijna 1 000 m. geklommen heb. Na 180 km vind ik in Korkuteli een kamer in een primitief hotelletje. Een dag later ben ik al tegen de middag in Antalya. De rustdag die ik hier neem is erg welkom. Ik wandel door de kleine steegjes van de oude stad naar het gezellige haventje. Daarna bezoek ik het moderne archeologisch museum. Ik besluit de dag met een heerlijke şiş kebab.

Door de regen fiets ik naar Aspendos. Het Romeinse theater staat na 2 000 jaar nog steeds open voor bezoekers. Side kan me minder bekoren. Enkele maanden na de Golfoorlog zijn er niet veel toeristen. Ik word dan ook gedurig aangeklampt door verkopers. Ik rij door naar Manavgat en vind er onderdak in het pension van een vriendelijke Arabische vrouw. Opnieuw moet ik over het Taurosgebergte. Het wordt een loodzware rit. Na elke klim volgt een korte afdaling. Er zijn veel ritmeveranderingen en een tropische temperatuur. De tegenwind zorgt dan wel voor wat afkoeling, maar ik had toch liever de wind in de rug gehad. Van zeeniveau klim ik uiteindelijk naar een pashoogte van 1 525 m. De weg is smal en dikwijls in slechte staat. Maar de natuur is overweldigend: bloemen, planten en immense rotspartijen. In Cevizli geef ik er de brui aan. Achter de moskee zet ik mijn tentje recht en val snel in slaap. Weer staan er 2 passen voor de boeg. Maar net voor de top van de tweede krijg ik spaakbreuk. Ik kan het zelf niet herstellen en moet met een bus mee naar Beyşehir. Daar weet een handige fietsenmaker het euvel snel te verhelpen.
Ik ben nu op de Anatolische hoogvlakte. Maar de weg blijft heuvelachtig. Mijn achterwiel is nog steeds niet in orde. In Konya besluit ik om het bij een fietsenmaker laten recht te trekken en te laten ronden. Konya is een belangrijk religieus centrum. Daarom heb ik voor het binnenrijden van de stad een pantalon over mijn fietsbroek aangetrokken. Het belang van Konya gaat terug tot de periode van de Rum-Seldsjoeken die hier een tijd lang hun hoofdstad hadden. Dat was ook de periode van Mevlana, de mystieke filosoof en dichter, en stichter van de dansende derwisjen. In tegenstelling tot wat velen denken, was Mevlana geen fundamentalist, maar een overtuigd moslim die zijn leven in dienst stelde van God en van de mensheid. Daarom staat er boven de ingang van zijn graftombe geschreven: "Kom, kom allen, gelovigen en niet-gelovigen, hier naar binnen, om er te bidden tot God". Konya is ook een belangrijk tapijtcentrum. Ik koop er een tweede tapijt, een klein zijden Hereke dat ik de rest van de reis in een fietstas zal meedragen, en waarvan de schoonheid me 's avonds na een vermoeiende fietsdag, opnieuw opkikt.

De vlakte van Konya wordt beheerst door een enorm zoutmeer. De weg is volledig vlak, maar de wind waait verschrikkelijk tegen. Mijn fietstassen zijn echte zeilen, en ik moet een versnelling gebruiken die ik normaal slechts in de bergen ronddraai. Bovendien zijn er zo goed als geen pleisterplaatsen onderweg. Enkel loslopende honden veroorzaken de nodige opwinding. Als er zo 'n dreigende kangal midden op de weg blijft staan, weet ik niet beter dan te wachten op een oude man met kar en paard, die als een deus "in" machina uit het niets opdaagt. De hond heeft blijkbaar schrik voor het paard, en na een hartelijk "teşekkur ederim" kan ik mijn tocht verder zetten. In Aksaray betaal ik te veel voor een schamele kamer. Een "Underirdische Stadt" trekt mijn aandacht. Een jongen gidst mij tot diep onder de grond. Dit is niet Kaymakli of Derinküyü, maar de privé-rondleiding en de deskundige uitleg van de jonge gids zorgen voor een unieke ervaring.
Als ik de Vallei van Göreme binnenrijd, vind ik een kamer in een gezellig troglodiet pension. Ik maak er dadelijk kennis met enkele van de weinige toeristen die ik deze reis ontmoet: Norbert, die in Wenen woont, en al een aardig mondje Turks praat, zal ik 2 jaar later tijdens mijn reis van Berlijn naar Istanbul opnieuw ontmoeten. Cappadocië is één van de wonderbaarlijkste landschappen die ik ooit heb gezien. Miljoenen jaren geleden werd de streek bedolven door as en lava van de nabijgelegen vulkanen Erçiyes Dağ en Hasan Dağ. De as veranderde in de loop der tijden in zachte tufsteen die snel erodeerde. Op plaatsen waar de tufsteen echter was aangedrukt door lava of andere zware stenen, kon de erosie zich niet zo snel doorzetten. Daardoor ontstonden grillige vormen in het landschap, met als bekendste de feeënschoorstenen, in het Frans ook wel "demoiselles coiffées" genoemd. De zachte steen was ideaal om er woningen in uit te kappen. Tijdens de eerste jaren van het christendom verspreidde de nieuwe godsdienst zich vooral in de Romeinse provincie Asia Minor (Klein Azië). Honderden kerken werden hier gebouwd ... gekapt, en de fresco 's behoren tot de oudste van de christelijke wereld.

Ik heb een nieuwe planning gemaakt: als ik elke dag 100 km. rijd, ben ik over 4 dagen in Malatya. Maar in Kayseri, na 95 km, is het pas middag. Na enkele uren in de stad rondgedoold te hebben, en na een heerlijke Iskender kebab, vertrek ik omstreeks 15 u. verder. In de vooravond ben ik in Bünyan. Er is geen hotel of pension. Maar een vriendelijke man, die enkele jaren in Duitsland heeft gewerkt, bewijst concreet hoe gastvrij dit volk is. De volgende dag voel ik mij ellendig. Ik zal tevreden zijn als ik in Pinarbasi geraak. Maar op het middaguur ben ik er al. Een hotel is er niet. Ik besluit dus om verder te rijden. Er staan 2 passen voor de boeg, elk bijna 2 000 m. hoog. Ik probeer mijn krachten te doseren, en om 19.30 u. sta ik in Gürün in de lobby van een hotel. Ik heb er in het restaurant nog een interessant gesprek met enkele Turkse zakenmensen. Als ik de rekening wil betalen, worden ze kwaad ... : ik ben een gast, en gasten betalen niet! Mijn neus zit volledig dicht. Als ik in Malatya geraak, zal ik een dag voor zijn op mijn schema. Onderweg zie ik alsmaar meer abrikozenbomen. Malatya wordt dan ook de abrikozenhoofdstad genoemd. Weer voert een pas me naar een hoogte van 1 800 m. Maar daarna volgt er een fantastische afdaling die me uiteindelijk in Malatya brengt.
Twee dagen rust ... Ik schrijf me in voor een tweedaagse tocht naar de Nemrut Dağ. Met een minibusje rijden we uren door de bergen, over onverharde wegen met putten, stenen en steile afgronden. Overal lopen mannen met geweren op hun schouder, het lijken wel Turkse cowboy 's te zijn. Aan de voet van de top van de berg staat een hotelletje. Van daaruit klimmen we naar de tumulus, de graftombe van Antiochus van Comagene, die hier, 2 000 m. hoog, in 34 B.C. begravenwerd. Even later ben ik getuige van een onvergetelijke zonsondergang. Na een korte nachtrust, klimmen we opnieuw naar de top: ditmaal zien we de zon langs de andere kant weer verschijnen. Nergens is de Griekse afkomst van de naam Anatolië zo duidelijk: "Land van de opkomende zon".

Ik bevind me nu in het hart van Turks Koerdistan. De Eufraat is hier door de bouw van de grote Ataturkdam al een brede rivier. In Elazığ bezoek ik de oude burcht van Harput. Een student troont me mee naar zijn huis waar ik in de mooie boomgaard van al het heerlijke fruit moet proeven. Het landschap wordt nu groener. Net voor Muş zie ik een vluchtelingenkamp voor Iraakse Koerden. De stad is lethargisch: ik zie enkel mannen keuvelen en thee drinken op hun kleine krukjes, en veel, heel veel politie en soldaten. In de bar van het hotel heb ik 's avonds een gesprek met een Koerdische leraar die een jaar als politiek gevangen heeft vastgezeten. De volgende dag probeer ik zo snel als mogelijk naar Tatvan te rijden. Ik wil er zeker de boot over het immense meer niet missen. Om 14 u. vertrekt de ferry voor een 4 uren durende tocht naar Van. De rustdag in Van bestaat uit een daguitstap per taxi naar de Koerdische burcht van Hoşap, Çavuştepe, Akthamar en Van Kale. Het Armeens kerkje Akthamar op een eilandje in het meer is het enige overgebleven Armeens bouwwerk uit de middeleeuwen. Rondom zijn er prachtige sculpturen met taferelen uit de bijbel.
Van is het keerpunt van de reis. Ik rijd eerst noordwaarts naar de hoofdweg tussen Turkije en Iran, en vervolgens naar Erzurum. Als ik onderweg uitgehongerd toch een stuk oude kaas opeet, voel ik me al snel ziek worden. Gedurende een 50-tal km. laat ik me in een vrachtwagen meevoeren. De volgende dag bereik ik uitgeput de bijna 2 000 m. hoog gelegen stad gelegen stad. Twee dagen lig ik meestal in bed. Maar als ik dan toch een wandeling maak, merk ik dat de poetsvrouwen mijn medicamenten hebben weggegooid.
Ik moet nu nog naar Trabzon. Een banaan moet me energie geven, maar na 2 minuten is ze er al weer uit ...

Toch slaag ik erin om in 4 dagen en over 457 km. door diepe kloven en hoge bergpassen Trabzon te bereiken. Een 30 km. voor de stad, als ik aan de Zwarte Zee een cola drink, moet ik al vlug naar het toilet. Het is pure cola die ik urineer. Ik heb de indruk dat binnenin geen enkel orgaan nog degelijk functioneert.
Thee, perziken, brood en vooral rust krikken mij terug op. Ik besluit om met een bus naar het Sumela klooster te rijden. Maar de bus komt niet. Geprikkeld neem ik de fiets en rijd op eigen kracht de hoge bergen in. De beloning is fantastisch: het klooster hangt als een arendsnest tegen de 1 200 m. hoge rotsen. Als ik me 's avonds bij het VVV ga beklagen over de slechte afspraak met de bus, ontmoet ik voor het eerst Emel. Ze zet wat thee voor me, en we hebben een aangenaam gesprek. De volgende dag, voor dat ik de ferry naar Istanbul neem, lunchen we samen in een klein restaurantje.
Ik deel een kajuit met 3 Turkse mannen. Eén van hen is een imman. Hij is zeer belezen en goed op de hoogte van de westerse literatuur. Elke ochtend bij zonsopgang legt hij een krant op de grond en doet zijn gebed.
Drie dagen heb ik de tijd om te mijmeren over de voorbije reis, over de prachtige landschappen, de historische monumenten en vooral over de gastvrijheid van een land dat steeds een speciale plaats in mijn hart zal hebben.