Fietsen in het Verre Oosten

Bangkok - Nakhon Si Thammarat
14/07/2013 to 07/08/2013

Tekst volgt later.

Bangkok - Chiang Mai
07/07/2012 to 08/08/2012

Na vier jaar in China gefietst te hebben, was het alsof ik in een zwart gat viel. Wat zou mijn volgend doel worden? Stilaan ga ik naar de 60 toe, en de grote uitdagingen worden alsmaar moeilijker. Daarom besloot ik om in Thailand te blijven, ook al omdat Sunida half july haar proclamatie had aan de Chulalongkorn Universiteit in Bangkok.

Het regent al de hele ochtend als ik vertrek in Satorn. Dit stadsdeel ligt in het zuiden van Bangkok en bijgevolg moet ik tijdens het spitsuur dwars door de stad rijden. Zoals ik al had verwacht, is het bij de grote kruising nabij Chatuchak  geen sinecure voor een fietser om de weg te vinden. Gelukkig slaag ik na een tijdje erin om op Pahon Yothin te geraken, de oude hoofdweg die naar het verre noorden leidt.
Ongeveer ter hoogte van Don Muang zie ik een groot tempelcomplex. Ik rijd er een rondje, maak enkele foto's en sla een praatje met de monnik Analayo.
Met behulp van de GPS probeer ik kleinere wegen te volgen, maar als ik het gevoel krijg dat ik rondjes draai, besluit ik om zo snel mogelijk in Pathum Thani te geraken om van daar de kortste weg naar Ayutthaya te nemen. Na meer dan vijf uren fietsen sta ik volgens de GPS voor de deur van het Tamarind Guesthouse net tegenover Wat Phra Tamharat. Er is wel een coffeeshop, maar twee toeristen die er zitten hebben nog nooit van Tamarind gehoord. Gelukkig komt er net dan een vrouw langs die in het Tamarind werkt. Ze troont me door een steegje mee tot de achterkant van het cafë waar ik het guesthouse zie liggen. De uitbaters zijn jong en uiterst vriendelijk. Er logeert ook een Nederlands koppel met wie ik een leuke babbel heb.

Na enkele foto's in de oude hoofdstad van Thailand rij ik over een brede weg langs de eeuwige rijstvelden in twee dagen naar Nakhon Sawan. Bij de Chedi Phukhao Thong stop ik voor een foto van Koning Naresuan, ook wel de Zwarte Prins genoemd. Toen Sukhothai in 1563 door de Birmezen werd veroverd, moest de jonge prins als gijzelaar mee naar het Birmese hof. Daar groeide hij op tot een sterk soldaat. In een gevecht tussen zijn kemphaan en die van de Birmese troonopvolger, won zijn haan, een voorteken voor wat later zou gebeuren. Immers, de prins keerde terug naar Thailand en werd koning van Ayutthaya. In 1591 wist hij in een heroïsch gevecht niet alleen de Birmezen te verslaan, maar ook vanop zijn olifant de Birmese kroonprins dodelijk te treffen. Enkele jaren later zorgde hij voor de eerste handelsbetrekkingen met Europa door een overeenkomst met de VOC.
Een enorm beeld achter een vijver trekt mijn aandacht. De arbeiders die nog bezig zijn om er een heel complex rond te bouwen, spreken geen Engels, maar zover ik het kan begrijpen is het een beeld van een of andere heilige monnik. Ook een prachtige moskee temidden van de rijstvelden, vind ik een foto waard.

Nakon Sawan is een belangrijke stad alleen al omwille van de strategische ligging bij de samenvloeiing van de Ping en de Nan rivier. Met een bootje laat ik me tot de overkant varen en kan daardoor heel goed zien hoe het water van de Nan rivier rood, en dat van de Ping rivier groen is. Ik neem er een eerste rustdag, maak een wandeling rond het grote meer in het midden van de stad, en ga lekker uit eten in één van de vele restaurants met live muziek.
Ik ga ook op zoek naar nieuwe zonnebrandcrème: mijn aangezicht is compleet verbrand, wellicht door een combinatie van zon en zweet. Als extra maatregel koop ik in één van de vele Chinese winkeltjes een doek die ik in noodgeval rond mijn hoofd kan winden zoals ik dat in het Midden Oosten ooit deed.

Ik fiets meestal over vrij drukke wegen.Ze bieden het voordeel van voldoende eet - en drinkgelegenheden te vinden en ze zijn bovendien in goede staat. De zijstrook voor fietsers en motoren is breed en maakt het fietsen over het algemeen veilig. Het gaat snel naar Kamphaeng Phet, meer dan 120 km in minder dan 6 uren. Het resort waar ik slaap ligt aan de rivier tegenover de stad. Ik moet wel een paar keer roepen om iemand aan de receptie te vinden, maar voor het overige is het hotel prima.
De volgende dag fiets ik door de historische stad, maar een echt bezoek heb ik er niet gepland. Dat laat ik over voor de volgende bestemming: Sukhothai, wellicht de mooiste historische plaats in heel Thailand. Het Sila resort waar ik al vlug "khun" Mark wordt genoemd, is een prima plek om enkele dagen te blijven. En ik kan er ook mijn fiets en bagage laten staan terwijl ik met een bus terug naar Bangkok rijd om er Sunida's proclamatie bij te wonen.
Twee dagen trek ik erop uit om de oude hoofdstad van Thailand te verkennen. Eerst neem ik de bus naar het 15 km verderop gelegen park en bezoek te voet het centrale deel. Temidden van exotische planten, met lotusbloemen bedekte vijvers en tientallen chedi's en buddhabeelden voel je hier het hart van de Thaise cultuur kloppen. Vlak na de ingang, aan de rechterkant, staat een beeld van koning Ramkhamheang (1247-1298) die het Thaise alfabeth op punt stelde en het Teravahad Boeddhisme introduceerde. Verder loop ik langs Wat Sa Si en natuurlijk Wat Mahathat, het culturele en religieuze centrum van de stad. 's Middags eet ik in een eetstalletje net buiten het park en wandel ik verder naar Wat Sri Chum waar in een kleine ruimte een enorm Boeddhabeeld staat. Het is al laat in de namiddag als ik terug naar het hotel keer.
Een tweede keer neem ik de fiets om de voormalige hoofdstad te verkennen. Maar als ik een eerste foto wil nemen, merk ik dat ik de batterij van het toestel in de kamer heb vergeten. Dus fiets ik twee keer heen en terug zodat het een dag van meer dan 70 zal worden. Maar het is de moeite waard: De omliggende ruïnes liggen verder uit elkaar, maar het is aangenaam rustig. Soms fiets ik als het ware door het oerwoud, en vanop de heuvel waar Wat Saphan Hin staat heb je een fantastisch zicht op de omgeving.
's Avonds geniet in in het Poo restaurant van een frisse Duvel

Door de regen fiets ik van Sukhothai naar Sawankahlok, ongeveer 40 km ten noorden van Sukhothai. Ik had eigenlijk naar Si Satchanalai gewild, maar niemand kon me bevestigen dat er slaapgelegenheid zou zijn. En omdat het weer slecht is, besluit ik omin Sawankhalok te een bed te zoeken en 's anderendaags naar Si Satchanalai te gaan. Bovendien kan ik vanuit Sawankhalok westwaarts naar Thoen rijden.
Het Swankaburi Boutique Hotel is heel gezellig, en de meisjes van de receptie willen allemaal met me op de foto. 's Morgens word ik gewekt door de fanfare van het schooltje naast het hotel. Het weer is nog steeds slecht, en ik besluit een taxi te huren om de ruïnes van Si Satchanalai te gaan bezoeken. Op een Frans koppel na zijn er geen andere toeristen, een heel veschil met Sukhothai. Si Satchanalai heeft dan ook niet de uitstraling van Sukhothai, maar als je het hele park voor jou alleen hebt, dan maakt dat veel goed. Tijdens de hoogdagen van het koninkrijk van Sukhothai was Si Satchanalai de plaats waar de kroonprins resideerde.

Ik verlaat Sawankhalok voor een lange rit naar Thoen. Na een bezoek aan een "Gouden Tempel" zie ik in de verte de eerste bergen opdagen. De bergen in Thailand zijn niet erg hoog, maar de stijgingspercentages zijn dat wel. Ik vind het maar niks ... liever een col van 20 km tegen 5% dan 5 km tegen 10%. Na de klim gaat het snel naar het onbeduidend stadje Thoen. Maar net voordat ik op de hoofdweg kom, stuurt de GPS mij letterlijk het bos in. Ik twijfel maar besluit om de GPS niet te volgen. Bij de hoofdweg zie ik de reden: het hotel ligt enkele honderden meters naar rechts, maar wegens de middenberm kan ik niet zomaar naar de overkant (in Thailand rijdt men links!). Dus moet ik eerst een kilometer links, dan 3 km rechtsomkeer om dan terug te keren naar het hotel. Maar ik ben al zo gewoon aan de Thaise rijgewoonten dat ik gewoon in tegenovergestelde richting (in dit geval dus rechts) naar het hotel rijd.
Ook de volgende dag is een gewone fietsdag, zij het dat de weg nu breder is. Ik had gehoopt om op deze semi-autoweg toch voldoende eetgelegenheden te vinden, maar dat blijkt een flinke vergissing te zijn. Daardoor raak ik op een bepaald moment zonder eten en drinken. Gelukkig duiken er aan de overkant net op tijd enkele ananaskraampjes op. De zoete en sappige vruchten geven me nieuwe energie en in 4 en een half uur heb ik de 90 km naar Lampang overbrugd.

Lampang bevalt me, niet in het minst om het heerlijke Auangkhan resort met zijn uiterst gastvrije gasheer. Het is bovendien een "fietshotel" en ik ben er dan ook van harte welkom. Ik neem er een rustdag waarbij ik de gelegenheid heb om enkele tempels te bezoeken en om op de avondmarkt deel te nemen aan een boeddhistische plechtigheid. Lampang is bekend om zijn paardenkoesten, maar veel zie ik er niet. De meeste staan werkloos langs de weg. In het Riverside restaurant neem ik een late lunch. Gelukkig heb ik alles op voordat ik in de rivier het kadaver van een heel varken zie drijven.

Als ik Lampang verlaat ben ik van plan om tot Lamphun te fietsen. Dat zal me de gelegenheid geven om de volgende dag nog voor de middag in Chiang Mai aan te komen en zo voldoende tijd te hebben om een goed hotel te vinden. Maar ik fiets vrij snel over een niet te drukke weg. Na ongeveer 30 km ben ik verplicht om naar de hoofdweg te rijden. Daar begint ook de beklimming van de Khun Tan bergketen. Halfweg de klim is een groot rehabilitatiecentrum voor olifanten. Tot voor enkele decennia waren er zo'n 10 000 olifanten in Thailand die vooral werden gebruikt in de bosbouw. Sinds het grootste deel van de exotische bomen beschermd zijn, zijn de olifanten werkloos geworden. Mede door de jacht van stropers uit Miyanmar en Laos is hun aantal gedaald tot minder dan 3 000. In het centrum krijgen de olifanten een nieuw leven: zij entertainen de toeristen met allerlei trucjes en maken tochtjes door de jungle.
Na deze aangename onderbreking klim ik verder tot de top en daal dan zo snel naar Lamphun dat ik zonder nog te stoppen verder rijd tot Chiang Mai. Zo komt er sneller dan ik had verwacht, een einde aan de fietstocht. Ik moet bovendien langer in Chiang Mai blijven dan verwacht omdat alle treinen voor de eerstvolgende dagen bezet zijn. Een busreis van meer dan 800 km zie ik niet zitten, en de fiets in het vliegtuig zonder dat ik enige bescherming bij heb, lijkt me ook geen goed idee. Ik blijf dus een week in de hoofdstad van noordelijkThailand. Vier keer haal ik de fiets nog uit de berging van het Ping Hotel: eerst om naar Dirk te rijden, die al meer dan 10 jaar in Chiang Mai woont, en die ik in 2004 in Siem Reap voor het eerst was tegengekomen. Een andere dag rij ik naar een meertje ten noorden van de stad. Het is er mooi en rustig met veel eetgelegenheden. Echte fietstochten zijn de beklimming naar de prachtig gelegen tempel Wat Phra Thad  Doi Suthep op de dag dat de 2 600 ste verjaardag van de geboorte van Boeddha wordt gevierd. De klim naar het hoogste punt van de reis, 1004 m, is steil met percentages die regelmatig boven de 10% liggen. De langste rit is de tocht naar de "Langnekken". Ik rij eerst via kleine wegen naar Mae Rim vanwaar ik westwaarts een soort toeristische weg insla. Om de haverklap is er een orchidee - een monkey - of een snakefarm. Na een kort bezoek aan een orchideeënkwekerij rij ik naar de Mae Sa watervallen. Ik sluit mijn fiets af en vraag bij één van de kraampjes of ze op mijn tas willen letten. Dan begeef ik mij op mijn fietsschoenen over de glibberige paden via de 9 terrassen naar de top. Het regent constant en ik ben blij als ik terug bij mijn fiets ben en een warme koffie kan drinken. Het laatste stuk is weer klimmen, met stukken van meer dan 20%. Na een korte afdaling moet ik linksaf over een onverharde weg naar de "Langnekken". Eigenlijk heten ze Karen Padaung en komen oorspronkelijk uit Birma. Het dorpje waar ze nu wonen is een toeristische atractie geworden, en je kunt je de vraag stellen of deze verminking het wel waard is. De nekken worden door de ringen niet langer gemaakt, maar de schouders en het sleutelbeen worden door de jaren omlaag gedrukt. De inwoners verkopen handgemaakte producten, kledij, doeken, poppetjes enz. Er zijn ook andere stammen van naburige dorpen die een graantje willen meepikken. Zo demonstreert een Yao-vrouw hoe haar kruisboog werkt ... en of hij werkt: de pijl dringt wel 3 cm in de stam van een boom. Er staat ook een schooljte waar de kinderen les krijgen, en helemaal achteraan, op het hoogste punt, staat een houten kerkje.

Uiteindelijk is het tijd om terug naar Bangkok te sporen. De nachttrein heeft veel tijd nodig, maar ik heb een slaapcoupé voor mij alleen en tegen 9 u. de volgende ochtend sta ik op het perron van Hua Lampong Station in Bangkok.

Xi'an - Beijing
15/07/2011 to 04/08/2011

Het laatste deel van mijn reis door China. Met Xi'an als startpunt, Beijing als aankomst en de Chinese Muur onderweg, lijkt dit op het eerste zicht één van de mooiere tochten te gaan worden. Maar niets wis minder waar. De drie voornoemde hoogtepunten zijn natuurlijk zonder weerga, maar de rest onderweg is letterlijk en figuurlijk een alles vervuilende industrialisering en het daarmee gepaard gaande verkeer.

Ik vertrek in Xi'an met een slecht gevoel in mijn maag. Daarom neem ik na twee dagen in Dali al een rustdag. Het wordt onverwacht een fijne dag omdat enkele studenten het niet alleen leuk vinden om met me te praten, maar ze tronen me ook mee naar een soort kermis.
Daarna gaat het door een droog en saai landschap naar de oevers van de Gele Rivier. Ik had me een idyllische omgeving voorgesteld, maar reeds tientallen kilometers voor de brug word de lucht gehuld in een dikke smog die veroorzaakt wordt door vele vervuilende fabrieken. Van de waterval die ik wilde bezoeken, heeft blijkbaar nog nooit iemand gehoord, en dus haast ik me verder in de richting van Linfen. Onderweg word ik plots opgeschrikt door een enorm lawaai: het blijkt een begrafenisceremonie te zijn waar men met luide muziek de boze geesten probeert te verdrijven.
Linfen werd voor enkele jaren uitgeroepen tot de meest verontreinigde stad ter wereld. Daar is gelukkig niets meer van te zien ... het stadje ziet er zelfs beter uit dan veel andere waar ik door gereden ben. In Lingshi vind ik een prachtig hotel waar ik per uur moet betalen, maar als ik enkele sexy dames van de trappen zie komen, besef ik dat dit niet een hotel is dat ik zoek. Dus fiets ik maar enkele honderden meters verder waar ik een goedkopere kamer vind. Elk half uur dondert er een trein door de achtertuin. Maar door de pintjes die ik met enkele jonge Chinezen heb gedronken, val ik al vlug in in een diepe slaap.

Pingyao is een bekend plaatsje, volledig ommuurd en met een doolhof van kleine straatjes. Sommigen vergelijken het met Lijiang, maar dat vind ik persoonlijk te hoog gegrepen. Bovendien is de sfeer er erg toeristisch, net als de prijzen. Ik verblijf er twee dagen in het Yamen Hostel. De ontvangst is er hartelijk, maar de vloer in de kamer vind ik vuil. Dat komt wellicht door de donkere poreuze tegels die niet aansporen om er met blote voeten te lopen. Het beste moment van mijn verblijf is nog de middag dat ik buiten de muren een restaurantje opzoek, en er behalve een heerlijke en goedkope maaltijd ook nog aangenaam gezelschap vind bij de plaatselijke jeugd.

Vanaf Pingyao heb ik drie fietsdagen nodig om het Taihang gebergte over te steken. Eerst is er een snelle aanloop tot Yuci. Het wordt één van de weinige dagen dat de lucht open en blauw is. Daarna klim ik tot over 1000 m, maar als ik in Shouyang een hotel zoek, blijkt er nergens een kamer beschikbaar te zijn behalve in het peperdure 4 sterren hotel. Ook de volgende dagen zou ik met dit fenomeen geconfronteerd worden zodat de uitgaven tijdens die laatste week nog behoorlijk zullen oplopen. Maar in Shouyang wil ik niet toegeven en na een goed lunch fiets ik verder tot Yangquan waar ik ... ook een kamer in een 4 sterren hotel vind. Gelukkig is de prijs hier een beetje schappelijker.
De laatste dag in de Taihang Mountains zou de moeilijkste maar ook de mooiste moeten worden. Ik besluit om in één keer tot Shijiazhuang te fietsen met onderweg bij de Guguan Pass ook nog een bezoek aan de Chinese Muur. Ik klim makkelijk naar de pas en na een 30-tal kilometer zie ik heel onverwacht de muur voor mij. Ik neem mijn tijd voor dit stuk vrij onbekend maar toch represantatief deel van de muur dat de toch belangrijke pas naar het westen moest bewaken. Hoe hoger ik over de steile trappen klim, des te smaller wordt de muur. Boven het lawaai van de drukke autoweg kan ik niet alleen genieten van het prachtige uitzicht, maar neem ik ook de tijd voor een picknick op de trappen van een wachttoren.
Na de luch begint het net te regenen als ik begin aan de afdaling. Al vlug ben ik niet alleen doornat, maar ook vol modder van de vuile smurrie die de kolentrucks achterlaten. Pas 70 km later in Shijiazhuang begint de zon door te komen. Ik neem er ... weer een 4 sterren hotel en blijf er twee nachten slapen.

De laatste vier dagen tot Beijing zijn vlak en snel. Toch neem ik mijn tijd en geniet vooral van de lekkere keuken op de lokale marktjes. Met mijn Nokia maps in mijn smartphone kan ik makkelijk mijn weg vinden in de metropool die Beijing is. Op het Tiananmen Plein laat ik door een Spaans koppel een foto van mezelf maken. Daarna rijd ik enkele kilometers noordwaarts tot het Heyuan Hostel, dat een uitstekende keuze blijkt te zijn voor de 5 volgende dagen die ik nog in Beijing blijf.

Chengdu - Xi'an
01/07/2010 to 01/08/2010

Als ik na een jaar terug in Chengdu aankom, voel ik me er dadelijk thuis. Natuurlijk neem ik weer een kamer in het Wenjun Mansion Hostel. Maar na twee dagen is het tijd om de fietstocht aan te vangen. Het is een beetje zoeken om de juiste weg te vinden en pas na een 30-tal kilometer zie ik het eerste bord met G108. De weg loopt eerst parallel met de nieuwe autoweg, maar na Mianyang sluipt hij stilletjes de heuvels in.
In Zitong zie ik de eerste resten van de verschrikkelijke aardbeving in 2008. Als ik het stadje verlaat, klim ik dadelijk naar de bergkam. Onderweg zoek ik in een tempelcomplex beschutting tegen een helse regenbui. Het personeel vergast me op een hete kom soep. Zo kan ik weer verder, langs eeuwenoude cypressen, die soms zelfs nog midden op de weg staan. Sommige Chinezen eren deze bomen alsof het hun voorvaderen zijn.

In Pu'an nodig ik mezelf uit op een ontspannende massage. Na weer een steile klim passeer ik voor het eerst de Oude Plankroute. Maar het regent te hard om lang te blijven stilstaan. Terug in een wijdse vallei kom ik op een weg die nog hersteld moet worden vanwege de aardbeving. Ook veel huizen zijn nog in heropbouw. Pas in de buurt van het vliegveld van Guanguan wordt de weg weer beter.
Ik neem een dag vrij in Guanguan om er de tempel van Wu Zetian te bezoeken. Zij was de enige officiële keizerin van China. De tempel ligt tegen een rotswand en heeft verschillende in de steen uitgehouwen beelden. Ik heb geleerd dat deze minder bekende bezienswaardigheden soms attractiever zijn dan de platgelopen monumenten.

Door de pletsende regen en over een verschrikkelijk drukke weg - de autoweg is hier ook nog in herstelling - rijd ik verder naar Hanzhong. Eerst moet ik weer over een gebergte waar ik wordt opgehouden door een steenlawine, maar na drie dagen bereikt ik de rand van de stad. De brug waar het verkeer over moet, is afgesloten, en dus moeten alle buspassagiers uitstappen en 2 kilometer te voet gaan met hun bagage. Voetgangers en fietsers kunnen gelukkig wel door, en na een beetje zoeken vind ik een hotel uit de glorietijd van Mao. Ik verblijf op de 17de verdieping en heb zo een mooi uitzicht over de omgeving.
In die omgeving bezoek ik eerst een historisch park met daarin gereconstrueerde resten van de Oude Plankroute. Dit pad van planken werd in 2500 jaar geleden aangelegd en verbond Xi'an met het land van Shu (Sichuan). Deze planken weg zou zelfs 's werelds eerste tunnel voor verkeer hebben.
Meer over de Plank Route vind ik in het Hantai museum dat eens de zetel was voor de heerser van Hanzhong. Deze heersers gaven hun naam aan de befaamde Han dynastie die regeerde als keizers van China tussen 206 vC en 220 nC.

Vooraleer de Qinling bergen over te rijden, bezoek ik het memorial van Cailun, de uitvinder van de moderne manier van papier maken. Het is weer één van die kleine maar bijzondere aangename bezienswaardigheden, waar ik als enige bezoeker door het personeel in de watten word gelegd. Ik krijg er niet alleen alle uitleg, maar als men ziet hoe warm ik het heb, brengt men me verfrissende stukjes meloen.
De volgende twee dagen moet ik echt de bergen in. De Qinling Mountains vormen de grens tussen noord en zuid. Er leven ook nog Panda's, maar een bezoek aan het reservaat valt door de hevige regen letterlijk in het water. Toch blijf ik een dag in Foping, hopend op beter weer. Maar de volgende dag regent het nog harder ... de receptioniste verklaart me zelfs voor gek als ik vertrek. Twee keer moet ik schuilen voor donder en bliksem, maar na zo'n 30 km bereik ik toch de top van de pas. Er is een lange donkere tunnel ... en tot overmaat van ramp heb ik een dag tevoren mijn achterlicht verloren. Jonge Chinese fietsers hadden me wel een reservelampje gegeven, maar door de nattigheid weigert dit dienst te doen. Na me eerst omgekleed te hebben, haast ik me door de tunnel en daal snel naar beneden. Zo zie ik te laat een halve meter dikke modderbrij. Fiets en benen zitten helemaal onder de modder. Eenmaal beneden vind ik gelukkig snel een carwash om mijn fiets en mezelf te laten reinigen!

Vanaf Zhouzhi gaat het over een vlakke weg naar Xi'an waar ik enkele dagen blijf. Ik doe er de voor de hand liggende bezoeken met als absoluut hoogtepunt natuurlijk het Terracotta Leger. Met een soort taxi laat ik me naar Lintong brengen.Ik laat niets aan het toeval over en neem zelfs een persoonlijke gids. Na het bezoek eet ik nog wat bij de "taxi-chauffeur" thuis alvorens terug naar Xi'an te rijden. Ook de Wild Goose Pagoda vind ik prachtig, niet in het minst om het mooie cultuurpark dat er langs ligt. In dit park vind je alles terug van de befaamde Tang dynastie (618-907) toen China één van haar hoogtepunten kende.

Lijiang - Chengdu
15/07/2009 to 04/08/2009

Ik verblijf 2 dagen in Lijiang alvorens te vertrekken naar Chengdu. De vlucht naar de parel van Yunnan was niet feilloos verlopen: zo had ik in Kunming op de luchthaven mijn fietshelm vergeten en had ik bij de controle bijna mijn buiktasje met alle geld en documenten laten liggen. Bovendien was de afgesproken taxi bij aankomst niet aan de luchthaven en toen ik naar het hostel belde, bleek dat de reservering niet was doorgegeven... Gelukkig kwam alles goed. Na een telefoontje stond er binnen 5 minuten een taxi klaar die me naar het Panba Hostel bracht. Daar kreeg ik een kamer in het leuke guesthouse en de volgende dag kocht ik één van de twee fietshelmen die in Lijiang te koop waren. Hij leek zelfs op de vorige, maar was tien keer goedkoper!

Ik moet al dadelijk beginnen te klimmen om vervolgens na een enorme afdaling de Yantze rivier over te steken. Dan begint een nieuwe lange klim. Op een vruchtbaar plateau verkoopt men langs de weg druiven zo groot als pruimen. Na een korte maar steile klim bereik ik eindelijk Yongsheng.
Ik ben moe, en in plaats van in één dag naar Ninglang te fietsen, besluit ik er twee over te doen. Het was een goede beslissing: er zijn verschillende passen tussen de twee steden, de een nog hoger dan de ander. Ik ben dan ook wat blij om in Zhanhe een heel eenvoudig kamertje te vinden. Als ik op mijn bed lig te bekomen, wordt er aan de deur geklopt: een man nodigt me uit om bij hem te komen "dineren". Als gewoonlijk ga ik op de uitnodiging in. Ik betreed een donkere naar houtskool riekende kamer. Op het bed zit nog iemand, maar door het schaarse licht kan ik de man niet goed zien. Het is duidelijk dat dit hun enige kamer is. In het midden is een houtvuurtje waarboven een grote dampende ketel hangt. De man gebaart me te gaan zitten en serveert uit de ketel enkele klompen vet. Ik krijg ook een kommetje rijst en als drank heeft hij verschrikkelijk sterke genever. Ik proef een beetje ... spoel goed door met de genever, en dank hem hartelijk voor de uitnodiging.
Weer op weg zie ik alsmaar meer Yi-vrouwen in hun kleurrijke klederdracht en met hun enorme zwarte hoeden. Ze gaan naar de ochtendmarkt voor hun dagelijkse inkopen. Ik kom vrij vlug aan in Ninglang en heb zo de ganse middag tijd om te relaxen.
De laatste dag van het eerste deel van de reis wordt meteen de moeilijkste. Ik moet over drie passen, waarvan de hoogste over 3 000 m gaat. Bovendien wordt de weg alsmaar slechter, maar het landschap onvergetelijk. Na twee passen kom ik in een weidse vallei. Ik moet tol betalen om verder te mogen, maar het geld wordt blijkbaar niet gebruikt om de weg te verbeteren. Alsmaar steiler klimt de weg naar 3 200 m., de laatste 5 kilometer over de kasseien. Het lijkt wel Parijs - Roubaix en Alp d'Huez in één. Boven op de top zie ik aan de andere kant en 600 m beneden me het blauwe water van het Lugu Meer.

De eerste kilometers van de afdaling moet ik nog steeds opletten vanwege de slechte weg, maar al gauw vlieg ik naar de oevers van het meer. Ik stop bij het eerste hotel. Enkele vrouwen groeten me ... ik ben in Lugu, het laatste paradijs van de vrouw! Ik blijf 2 nachten in het grote en mooie houten gebouw. Gedurende mijn hele verblijf zal ik er geen enkele man zien. Hier leven de Mosuo, een volk dat een matrileaire samenleving kent: de vrouw beheert het huishouden, de bezittingen en de naam van de kinderen. Deze kinderen kunnen van verschillende mannen komen vermits er geen echt huwelijk is. Een man bezoekt zijn vrouw meestal 's nachts, maar woont tot het eind van zijn dagen bij zijn moeder. Als de vrouw de man beu is, is de relatie over en kan er een nieuwe beginnen. Daarom wordt dit ook wel het "wandelend huwelijk" genoemd. Deze relaties verschaffen een grote individuele vrijheid, los van familiale of sociale invloeden, en in grote tegenstelling met andere huwelijken in de Chinese gemeenschap. Mijn tweede avond begeef ik me in gezelschap van de twee charmante dochters van de eigenares van het hotel naar een optreden van lokale Mosuo dansers. De muziek doet me denken aan Shangarila vorig jaar, wat de Tibetaanse oorsprong van dit volk verraadt.

Een korte maar moeilijke rit rond het meer brengt me tot in Luguhu. Ik ben nu in Sichuan en er wacht me een lange afdaling door een mooie vallei. Na een tiental kilometers zie ik alsmaar meer steenkoolmijnen in de bergwand.
Een dag later ben ik getuige van de grote zonsverduistering van 22 juli. Ik heb twee donkere glaasjes bij me, en dit laat ook enkele omstaanders toe om tussen de wolken af en toe naar dit natuurverschijnsel te kijken. In ruil krijg ik 2 kilo zure appels mee ... Maar nog zuurder is de onverwachte klim die me weer boven de 3 000 m brengt. Ik ben dan ook uitgeput als ik halverwege de afdaling een slaapplaats zoek in het kleine stadje Pingchuan. Als ik ga eten zitten me een tiental mensen aan te staren. Dan komt er eentje nieuwsgierig met me praten. Na een tijdje besluiten ze me rustig te laten eten, en wanneer ik wil betalen, schijnt mijn rekening al vereffend te zijn door één van de omstaanders.
De volgende ochtend voel ik me weer veel beter en ik daal verder af naar de brug over de Yalong rivier. Er volgt gedurende 20 km weer een enorme klim tot bijna 3 000 m alvorens naar een brede en vruchtbare vallei af te dalen met de moderne stad Xichang. Ik blijf er twee nachten, geniet van het goede eten en bezoek Lishan Mountain en het indrukwekkende museum van de Yi.

Tussen Xichang en Ebian liggen weer hoge bergen De eerste dag is nog redelijk vlak totdat ik bij Luguzhen oostwaarts draai. De vallei is eerst mooi en pastoraal, maar als ze breder wordt zie ik alsmaar meer vervuilende metaalverwerkende bedrijfjes. In Mianshan weet ik niet goed wat doen: verder rijden tot Xide ... of moet ik morgen hier al noordwaarts de bergen in. Ik besluit door te rijden en neem een kamer net voor Xide. Maar de volgende ochtend moet ik in de pletsende regen terug rijden. Ik eet in Mianshan enkele zhaozi 's, gevulde stoombroodjes. Dan begint een verschrikkelijke klim. Het regent onophoudelijk. Soms zie en hoor ik langs de weg de kleine bakjes die met een kabelspoor het erts van hoog in de bergen naar beneden brengen. Op bijna 3 000 m hoogte ontwaar ik een enorm militair tentenkamp, wel 2 km lang, met om de 10 meter een grote tent met een vrachtwagen en een veldkeuken. Over de weg lopen enkele Yi-vrouwen die aan de soldaten hun waar willen verkopen. Ze nodigen me uit om bij een rokerig houtvuurtje mijn verkleund lichaam te warmen. Maar lang hou ik het niet uit, en als plots een soldaat mij teken doet om de camera weg te steken, besluit ik om door te rijden. Een kilometer verder ben ik op de top. Half bevroren daal ik vanwege de mist en de kasseien behoedzaam naar beneden. In het eerste dorpje bestel ik een glas warm water ... om mijn handen te ontdooien. Daarna doe ik er wat nescafé in en drink het glas leeg. Tien kilometer verder vind ik - nog steeds in de regen - een kamer in Yuexi.
De volgende twee dagen zal ik stroomafwaarts rijden, maar toch moet ik elke dag bijna 1 000 m klimmen. Dat komt omdat de weg hoog boven de vallei ligt, maar telkens er een zijrivier uitmondt in de hoofdrivier, daalt de weg naar een onbeduidend bruggetje om vervolgens weer omhoog te kronkelen.
De rit langs de Dadu rivier is om nooit te vergeten. Eerst is er een 5 km lange tunnel. Gelukkig heb ik goede verlichting en is er weinig verkeer. Dan is de weg afgesloten wegens een aardverschuiving. Water, modder en rotsblokken donderen gedurende twee uren naar beneden. Gelukkig staat er ook een folkloristische dansgroep te wachten, en als iedereen zich begint te vervelen, entertainen ze het publiek met hun kleurrijke dansen. Nadat enkele bulldozers het puin hebben geruimd, kan ik eindelijk doorrijden. Maar een uurtje later moet ik weer stoppen. Ditmaal zijn er werken aan een brug en het verkeer mag enkel een alternatieve weg nemen als men een vergunning heeft. Die heb ik niet, en de politie doet me teken om maar terug te keren ... Gelukkig haalt men er een uurtje later twee Engels sprekende agenten bij. Bij het bekijken van mijn Belgisch paspoort zegt eentje "Saive". Het duurt eventjes vooraleer mijn pingpongballetje valt, maar daarna doet men al het mogelijke om me te helpen: er wordt gebeld om een pick-up en weer een uurtje later brengen ze me onder politiebegeleiding naar een volgend check-point vanwaar ik verder rij naar Ebian. Net voor het donker kom ik daar aan.

De laatste "klimdag" gaat heel vlot en tegen de middag ben ik in Baoguo, de toeristenstraat van Emeishan. Ik neem een mooie kamer op het einde van de straat waar ik vier dagen zal verblijven. Maar het weer is en blijft slecht. Dat is jammer want vanuit Emeishan bezoek ik Leshan met 's werelds grootste uitgehouwen Buddhabeeld en Mount Emei, één van de vier heilige bergen van China. Ik ga zo ver als mogelijk met de bus naar de meer dan 3 000 m hoog gelegen top. Maar de laatste 600 m moet er toch geklommen worden. Er zijn honderden pelgrims waarvan sommigen zelfs biddend op hun knieën de laatste trappen naar de "Golden Summit" doen.
Twee snelle fietsdagen brengen me naar het eindpunt van de reis. Onderweg bezoek ik in Meishan nog de tempel van Su Shi, de intellectuele familie die in de 11 de eeuw hier leefde.
Net voor Chengdu laat ik in een carwash mijn fiets poetsen. Dan rij ik naar de luchthaven, pak mijn fiets in en breng hem bij de "left luggage". Met een taxi laat ik me naar het Wenjun Mansion Hostel brengen.
Tijdens mijn verblijf in de hoofdstad van Sichuan bezoek ik verscheidene tempels: de Daci tempel is oud, maar niet toeristisch. Het is er aangenaam rustig en ik praat er met enkele Chinezen. In the Wuhou Memorial tempel ontmoet ik Xin, die belooft me te zullen gidsen als ik volgend jaar Xi'an bezoek. De Wenshu tempel is misschien wel de bekendste en ook de mooiste. Er bevinden zich talrijke kunstwerken die me inspireren om een mooi brokaten tapijtje te kopen.  Geen bezoek aan Sichuan zonder de Panda 's gezien te hebben in het Panda Breeding and Research Center.
Ik besluit mijn reis met een bezoek aan de Sichuan Opera, een mengeling van muziek, sketch, poppentheater en bian lian, het wisselen van masker, dat zo vlug gebeurt dat je het niet voor mogelijk houdt.

Jinghong - Sangrila
09/07/2008 to 09/08/2008

Yunnan is de meest zuidwestelijke provincie van China, grenzend aan Vietnam, Laos en Myanmar. Vorig jaar had ik al een vleugje van deze kleurrijke provincie mogen opsnuiven. Het had me veel moeite gekost om door de Laotiaanse hooglanden naar Jinghong te fietsen, maar wat me nu te wachten stond, zou nog veel zwaarder zijn. Gelukkig was ik goed voorbereid en bovendien kon ik beschikken over een gloednieuwe Koga Signature.

De vlucht van Bangkok naar Jinghong via Kunming  verloopt vlot en na een half uurtje sleutelen aan mijn fiets vertrek ik naar het centrum van het stadje. Na een eenvoudige kamer te hebben gevonden, zit ik een uurtje later in het Luo Luo restaurant, vlakbij de enorme nieuwe fontein. Er staan honderden mensen te staren naar de waterstralen die op de tonen van Chinese muziek tot wel 20 m hoog worden gespoten, en kinderen spelen in de vijvers rondom. De Dai zijn nu eenmaal gek van water.
De volgende dag is er eentje van voorbereiden: geld wisselen, de bagage organiseren, de fiets volledig in orde brengen, een telefoonkaart kopen en ... weer gewoon worden aan de Chinese computers om mijn weblog te updaten.
Na een dag de nodige voorbereidingen getroffen te hebben, verlaat ik JInghong over de autoweg. Maar dat is geen goede beslissing. Ik keer enkele meters terug en neem de kleine weg die parallel loopt met de autoweg. Tot Menyang is het bijna voortdurend klimmen. Plots zie ik in een bocht een tuk tuk rechtdoor tussen de bomen in het ravijn rijden. Ik haast me ernaartoe. De bestuurder ligt enkele meters dieper op zijn rug naast zijn voertuig. Er stroomt een beetje bloed uit zijn mond. Ik probeer de hulpdiensten te bellen, maar krijg geen aansluiting. Een autobestuurder stopt.  Hij belt de hulpdiensten, maar we beseffen beiden dat elke hulp te laat komt. Dan vraagt hij mij hoe het ongeval gebeurd is. Met gebaren leg ik hem uit wat ik gezien heb. Dan doet hij teken dat ik best verder kan rijden. Ik besluit zijn raad op te volgen. Het beeld van het ongeval blijft me echter de hele reis achtervolgen.
Na 80 km en zo 'n 1 000 m hoogteverschil bereik ik Dadugang. Het hotel is eenvoudig, maar ik kan mijn kleren wassen en zelfs buiten drogen. Na een korte rust word ik wakker van de honger. In een restaurantje bestel ik ... veel te veel: rijst met vis, soep, paddenstoelen, eieren en groenten. Maar het smaakt heerlijk!
Na een slechte nachtrust vanwege het lawaai in en rond het hotel begeef ik me rond 7 u. op weg. Maar na enkele minuten stop ik al om te ontbijten. De noedelsoep smaakt heerlijk. Een half uurtje later fiets ik weer tussen de theevelden. Na 78 km bereik ik Simao waar ik een goed hotel vind. Ik maak er voor het eerst kennis met het Chinese principe dat je een flinke borg moet betalen voor de kamer.

De rit van Simao naar Pu'er is kort, maar begint met een fikse klim naar 1 700 m, gevolgd door een lange afdaling. In Pu'er neem ik mijn intrek in het Jiao Tang hotel. Een jongen wijst me een goed restaurant waar ik mijn hongerige maag weer volprop. Daarna wandel ik door het stadje, bekijk de beelden op het centrale plein en maak enkele foto 's. Tegen de avond eet ik tofu en kruip vroeg in bed.

Pu'er is mijn eerste rustdag. Ik besluit echt te relaxen ... maar als ik het hotel in de vroege ochtend verlaat voor een wandeling, nodigt een oude man me uit om enkele trappen te beklimmen die naar de pagode achter het hotel leiden. Ik heb geen idee hoeveel trappen het zijn, maar bijna boven staat 996 geschreven ...! Onder een afdakje rust ik uit, maar al snel komen enkele kinderen zonder enige schroom bij me zitten. Bay Jing voert het woord: zij en haar neefje en nichtje willen hun Engels een beetje oefenen. Hun moeders zitten een wat verder te giechelen. Normaal gaan de kinderen in Kunming naar school - zo 'n 500 km verder -, maar nu is het ook voor hun grote vakantie. Ze nodigen me uit om de theeplantages te bekijken via de oude "tea-horse road", het eeuwenoude pad dat dit Mekka van de thee verbond met Beijing, Birma, India en Tibet. We wandelen over glibberige stenen, net een Romeinse heirbaan, door de theevelden. Terug in het stadje, stoppen we bij een theehuis. Ik krijg er niet alleen uitleg over thee, maar ook moet ik verschillende soorten proeven. Als dank wil ik wat thee kopen ... maar die kans krijg ik zelfs niet. Bijna 1 kg diverse Pu'er thee 's krijg ik aangeboden. Weigeren durf ik niet ... maar hoe moet ik dat allemaal in mijn bagage steken?
'Weer krijg ik een kilometers lange klim voor de wielen geschoven. De lucht is bovendien zo vochtig, dat ik nat word zonder dat het echt regent. Er zijn ook veel vrachtwagens onderweg want de autoweg is hier nog in aanbouw. Tijdens de klim moet ik herhaaldelijk stoppen omdat de verstikkende uitlaatgassen me niet toelaten om normaal te ademen. Na 15 km ben ik op de pashoogte. Voor het eerst volgt er een echte afdaling met soms duizelingwekkende vergezichten. Na een tiental kilometer in de mooie vallei kan de autoweg weer gebruikt worden. Het verkeer wordt nu schaarser. Bij de afslag naar Zhenyuang begint een nieuwe lange klim. Maar de rustdag in Pu'er heeft me goed gedaan, en even na de middag bereik ik De'an. Het dorp telt slechts enkele straten; toch zijn er twee hotels. In het eerste stuurt men mij door, maar in het andere hotel krijg ik een heel eenvoudige kamer. Ik kan al snel aanschuiven voor een late lunch. Na het avondeten nodigt het personeel me uit voor een borrel. Vermits niemand Engels kent, valt er met de doofstomme Tan Lin Yao beter te communiceren dan met de anderen. Na de borrels moet ik ook de Chinese waterpijp proberen.

Het parcours van de volgende twee dagen is niet zo zwaar: af en toe een korte klim, maar meestal fiets ik door een brede vallei. De thee is nu vervangen door tabak en in een kleine eest zie ik hoe hard sommige kinderen moeten werken. Af en toe rij ik door een dorpje. Het valt me op hoe de mensen hier nog samenwerken: kippen pluimen, vlees versnijden, groenten wassen ... In Zhenyuang vind ik een goed hotel voor 50 Yuan (5 €). Ik ontdek ook een internetshop ... maar pas als ik mijn weblog aan het updaten ben, begrijp ik dat het eigenlijk een kleine drukkerij is waar men zo vriendelijk was om mij één van hun computers gratis ter beschikking te stellen!
In Jingdong neem ik mijn tweede rustdag. Het hotel (70 Yuan) is weer opperbest. In een café westerse stijl drink ik voor het eerst een koel biertje, net nu ik begon gewoon te worden aan het lauwe gerstenat. In een van de vele internetcafé 's pik ik de regeringscrisis in België mee.
De rustdag is echt relax: wandelen, internet, eten, drinken en fiets en bagage in orde brengen. Ook de fietstassen was ik, zodat alles er weer kraaknet uitziet als ik 's anderendaags vertrek.

De rit van Jingdong naar Nanjiang is de langste van de reis: 110 km, met bovendien een flinke klim tot boven de 2 000 m. Onderweg zijn er enkele drukke dorpjes met soms heuse verkeersopstoppingen. Na 63 km volgt er een korte afdaling naar een drukke weg (S 214). Daarna stijgt de weg naar 2 100 m vanwaar een lange afdaling me naar Nanjiang voert. Ik neem in de stoffige stad het eerste en beste hotel ... meteen ook het duurste! In het restaurant komen drie meisjes die er vakantiewerk doen met mij praten. Omdat ze zo behulpzaam zijn om mij een internetcafé te wijzen, geef ik elk een pakje Pu'er thee. "Oh", zeggen ze, "Pu'er thee, ... dat zouden wij nooit kunnen betalen!"
Van Nanjiang naar Weishan zijn slecht 48 km. De weg stijgt geleidelijk. Het wegdek is uitstekend, en nog voor het middaguur bereik in het oude stadje. Van alle plaatsen waar ik geweest ben, is Weishan welllicht het meest authentieke. Er zijn geen toeristen. In het centrum staat een enorme toren, op het eerste zicht een soort Chinese donjon, maar blijkbaar een oude stadspoort uit de Ming-periode toen Weishan een belangrijke stad op de theeroute was.

De weg naar Weishan was uitstekend, maar de weg tussen Weishan en Dali is verschrikkelijk. Het asfalt is helemaal kapot gereden, en kuilen zijn gewoon gevuld met dikke keien. Onderweg zie ik een groep vrouwen in traditionele kledij. Ze lopen zo snel, dat het me enige moeite kost om er een foto van te maken. Een pas klimt naar 2 400 m, en net daar is men bezig met het wegdek te herstellen. Het is over verschillende kilometers echt mountainbiken. Ik ben wat blij dat ik mijn nieuwe fiets heb met de uitstekende Schwalbe Marathon XR banden.
In het nieuwe Dali (Xiaguan) moet ik op mijn kompas rijden om de juiste richting te vinden naar de oude stad die zo 'n 15 km noordwaarts ligt. Er is een breed fietspad langs de nieuwe autoweg. Al snel zie ik links van mij tegen de flanken van het Cangshan gebergte de stad met haar befaamde pagoda 's liggen. Omdat ik er drie nachten wil blijven, neem ik dit keer niet het eerste en beste hotel, maar zoek en vind ik in Sam's Guest House voor 80 Yuan een mooie kamer. Ik kan er bovendien gebruik maken van een heuse wasmachine en mijn kleren op het dakterras laten drogen.

Het oude Dali is een mooi maar toeristisch stadje. De dikke stadsmuren met de versterkte poort maken duidelijk dat Dali ooit een belangrijke strategische stad is geweest. Van de 8ste tot de 13de eeuw was Dali het politieke, culturele en economische centrum van Yunnan. Pas tijdens Kublai Khan werden Dali en heel Yunnan deel van het grote Chinese Keizerrijk. Sommige soldaten van de Mongoolse keizer die hij in het islamitische westen had gerekruteerd, bleven in Dali achter en vormen nu nog steeds de Hui minderheid.  Een opstand van deze moslims in 1855 resulteerde zelfs in een kortstondig sultanaat van Dali.
De stad ligt op ongeveer 2 000 m hoogte aan het Erhai meer. De inwoners zijn vooral Bai, waarvan de vrouwen herkenbaar zijn aan hun witte broeken en hun gekleurde vestjes en mutsen. De Bai leven al heel lang in deze streek, en ze worden beschouwd als de minderheid met de beste relaties tot de Han Chinezen.

De Bai zijn ook gekend als zeer artistiek: muziek, literatuur, lakwerk en architectuur. Dit laatste wordt pas echt duidelijk bij een bezoek aan de Chongzhen tempel met zijn befaamde Drie Pagodes. Ik moet wel eventjes slikken als ik de toegangsprijs zie: 121 Yuan, zo 'n € 12. Toch geniet ik van het hele complex, ofschoon enkel de Drie Pagodas nog origineel zijn. De middelste en hoogste (69 m) werd gebouwd in de 9de eeuw. De andere twee zijn bijna 30 m kleiner, en werden later gebouwd. Achter de pagodes tegen de flanken van de 4 000 m hoge bergen ligt het tempelcomplex. De centrale as is meer dan een kilometer lang en 352 m breed. Er zijn 8 terrassen met prachtige gebouwen, vijvers, beelden en rotspartijen. Tijdens de bloeiperiode van Dali was het complex bekend om zijn enorme religieuze invloed. Sommigen noemden het zelfs "Hoofdstad van het Boeddhisme". Maar alle gebouwen zijn nieuw omdat de tijd en vooral de Culturele Revolutie niets recht lieten staan. Toch geniet ik ervan. Bovendien wordt mijn bezoek meer luister bijgezet door dansende Naxi vrouwen en het prachtige uitzicht vanaf het laatste gebouw, de Lake-View Tower.
Een bezoek aan Dali zou niet compleet zijn zonder een boottochtje op het Erhai meer. Want hier wordt nog met aalscholvers gevist. De manier waarop de visser met zijn vogels omgaat, is naar westerse normen niet altijd even diervriendelijk. Een strik rond de nek van de vogel verhindert hem om de gevangen vis door te slikken. Zo kan de visser gemakkelijk de buit uit de bek nemen. Als de vissen niet in het water zijn, bindt de visser een touw rond hun nek en plaatst hen op de rand van de boot. Maar door de golven verliest af en toe een vogel zijn evenwicht, en met de koord rond zijn nek hangt hij dan gewoon over boord tot de visser hem terugzet.

Zolang ik langs de oever van het meer fiets, is het vlak. Na 30 km begint de weg te stijgen naar een pas van 2 400 m hoogte. Het is erg rustig en na een afdaling en nog een klim bereik ik Songghui. Het hotel is eenvoudig en het enige dat in het dorpje mijn aandacht trekt, zijn de talrijke mensen die paddestoelen zitten te sorteren.
Ik rijd tussen tabaksvelden over een heuvelachtig parcours. Na ongeveer 40 km bereik ik Heqin, een leuk stadje waar ik op de markt uit de hand een heerlijke vegetarische pizza eet. Heel veel mensen gaan nog kilometers te voet naar de markt. Voorbij Heqin begint een steile klim. Ik haal de twee fietsers in die ik gisteren in Songghui had zien voorbij rijden. Het zijn jonge Chinezen die naar Lhasa willen. Na de klim volgt een korte afdaling en een brede autoweg met een mooi fietspad. De verlichtingspalen worden gevoed met zonne-energie. Even over de middag ben ik aan een van de poorten van het oude Lijiang.
Ik had hier ergens een kamer gereserveerd ... maar waar? Ik stap een restaurant binnen en vraag of ze het hotel kennen. Er wordt dadelijk ander volk bijgehaald, en tenslotte mag ik een computer gebruiken om het telefoonnummer te vinden. Dan neemt een jonge vrouw - Zhou - haar telefoon en belt naar het hotel. Oei ... ik had pas voor de volgende dag gereserveerd! Maar geen nood, er zou wel een oplossing te vinden zijn. Nadat ik heb geluncht begeleidt Zhou me door een labyrinth van straatjes en steegjes naar het hotel. Het is een klassiek Naxi gebouw, volledig uit hout met een centrale binnenplaats.
De Naxi zijn van oorsprong Tibetaanse nomaden die tot voor kort nog een matriarchale samenleving hadden. De Naxi hebben lang een heel bijzondere taal gehad, het Dhongba. Dit is een pictografisch schrift met zo 'n 1 400 tekens. Het diende oorspronkelijk enkel voor de priesters om hun heilige boeken te lezen. Net als de meeste andere minderheden, zijn ook de Naxi volledig geïntegreerd in het moderne China, zonder echter hun tradities te verloochenen.
Ik blijf twee dagen in Lijiang. De straatjes zijn overvol van - vooral Chinese - toeristen. De meesten hebben een paraplu bij, de eerste dag ter bescherming tegen de zon, de tweede dag tegen de regen. Behalve een doolhof van straten wordt het stadje ook nog eens doorkruist door tientallen beekjes en kanaaltjes. In heel China is er geen enkele stad die zoveel bruggen heeft op zo 'n kleine oppervlakte! Het water komt uit de bergen en is kristalhelder. De beekjes zijn als bloedvaten in een lichaam, en ze bereiken elke straat, elk plein, elk huis. Het systeem is zo vernuftig dat er water is om te drinken, om groenten en fruit te reinigen en om kleding te wassen. 's Nachts worden de sluizen opengezet zodat tegen de volgende ochtend alle straten weer schoongeveegd zijn. Omwille van dit ingenieuze systeem en ook omwille van zijn karakteristieke eenvormigheid in bouwstijl is Lijiang sinds 1997 cultureel werelderfgoed van de mensheid.
Tijdens de laatste avond ga ik eten bij Zhou. Ze wil haar restaurant verkopen en vraagt € 350 000. Ook haar overbuur wil van zijn zaak af, maar vraagt bijna het dubbel. Zhou vraagt me om te doen alsof ik interesse heb. Zo kan ze met me mee gaan en de twee restaurants met elkaar vergelijken. Ik mag overal rondkijken. Daarna stuurt ze me met dezelfde smoes naar een andere buur. Ook hier kan ik tot in de keukens en privé-vertrekken neuzen. Tenslotte vraagt Zhou me mijn conclusie. Maar die is helemaal anders dan ze vermoedde: ik vertel haar onomwonden dat elk van de drie restaurants, als ze in België gevestigd waren, onmiddellijk zouden gesloten worden vanwege een ongelooflijk gebrek aan hygiëne, vooral in de keukens. In China zeg je normaal niet zo bruusk de waarheid, maar hier kon ik er echt niet omheen. Bovendien was ik maar al te blij dat ik er geen voedselvergiftiging had opgelopen!

Als ik de volgende ochtend, geruggesteund door een stralend zonnetje, vertrek, weet ik nog niet via welke weg ik uiteindelijk naar Shangarila zal rijden. Ik zal mijn besluit nemen in Quiatou, aan de oevers van de Yantze.
De weg klimt geleidelijk naar omhoog. Na 30 km bereik ik een klein plateau. Daarna volgt er een afdaling met een adembenemend zicht op de Yantze rivier. Enkele kilometers eerder is de stroom, in tegenstelling tot de parallel lopende Mekong, plotseling noordwaarts gedraaid. Zo vloeit het koude Himalayawater niet naar Cambodia en Vietnam, maar terug het binnenland van China in.
Een uurtje later bereik ik de oever. Enkele kilometers verder steek ik de rivier over en fiets nu op de linkeroever. Het is een brede weg die rechtstreeks naar het 125 km verder gelegen Shangarila gaat. Maar in Quiatou besluit ik na een gesprek met Margo, een Australische die daar woont, toch via de Tiger Leaping Gorge (Tijgersprong kloof) te fietsen. Ik heb enorm geluk, vertelt ze me, want de vorige weken is het steeds slecht weer geweest. Enkele dagen eerder zijn er zelfs twee toeristen dood gebleven. Ik betaal 50 Yuan inkom voor de kloof. De eerste 7 km is de weg verhard en er rijden talrijke bussen. Dan is er een kleine parking en een trap naar beneden. Hier, waar de kloof het smalst is (25 m) sprong een tijger via een rotsblok naar de overkant …
Een tunneltje belet de bussen om verder te rijden. Ook de weg wordt slechter, slechts af en toe onderbroken door asfalt. Maar de rust, het uitzicht en de woeste rivier beneden mij tarten alle verbeelding. Het is niet altijd makkelijk fietsen omdat de weg slecht is, en omdat het constant op en neer gaat. Bovendien moet ik opletten voor mogelijk vallende rotsblokken. Na 20 km zie ik Tina 's Guest House liggen. In sommige gidsen wordt dit absoluut afgeraden vanwege "niet beantwoordend aan de echte backpacker". Maar ik ben moe, en als ik een goede kamer vraag, dan krijg ik die ook ...

Na het avondeten maak ik nog een wandeling, maar als ik in de verte gedonder hoor, keer ik snel terug naar het guesthouse. Nog voor het onweer goed en wel losbarst, lig ik al tussen de lakens.
Als zachte zeppelins zweven 's morgen de wolken door het ravijn. In de verte beginnen de eerste zonnestralen de bergtoppen te strelen. Ik begeef me op pad voor het laatste deel van de kloof. Als ik de bergen plots zie veranderen in een grote vlakte, voel ik me toch opgelucht ... Te vroeg ... net voor het einde van de kloof is er 's nachts een steenlawine geweest. De weg is volledig onderbroken door een stroom van rotsblokken die honderden meters dieper in het dal eindigt. Ik heb geen keuze, ik moet erover. Maar dit is niet zonder gevaar: als een steen begint te rollen, dan heb ik geen schijn van kans. Ik neem eerst één fietstas en zoek mijn weg over de stenen. Ik besluit hoog over een groot rotsblok te gaan dat middenin ligt. Als ik uitglijd, kan dit eventueel mijn redding zijn. Elke losse steen leg ik vast, zonder dat er eentje naar beneden rolt. Zo breng ik elke fietstas apart over. Tenslotte is er de fiets. Daar heb ik beide handen voor nodig, maar alle stenen op mijn route liggen nu stevig. Na elke stap zet ik mijn fiets neer. Het gaat langzaam, maar na bijna een uur "klunen" ben ik samen met fiets en bagage aan de overkant. Een automobilist die net komt aangereden, zal langer moeten wachten!
Aan de overkant van de rivier verandert het landschap bruusk in een grote vlakte. Maar ik moet weer klimmen, hoger en hoger ... Voor mij liggen de 5 500 m hoge Haba Snow mountains. Uiteindelijk bereik ik Baishutai, een Naxi dorpje met kalksteenterrassen net zoals in Pamukkale (Turkije). Ik ben te moe om de terrassen te gaan bekijken. Ze leken me trouwens veel kleiner dan in Pamukkale. Achteraf heb ik er wel spijt van gehad. Maar de leuke mensen hier hebben ook hun charme. Als ik het dorpje binnenrijd, word ik al tegengehouden door een vriendelijke vrouw die me vraagt of ik een kamer zoek. Er is echter geen mogelijkheid om mij te wassen. Ik loop het hele dorp door, bekijk enkele "bungalows" aan het andere eind, maar besluit tenslotte bij een vriendelijke dame (alweer een vrouw: het zijn Naxi, dus de vrouwen runnen de boel!) mijn intrek te nemen. De kamer heeft wel drie bedden, maar voor de rest is er niets. Om de eerste vrouw ook iets te gunnen, ga ik bij haar eten: paddestoelen en jakvlees ... heeeeeeerlijk! Het blijkt zelfs dat ik de kamer huur van haar dochter. En dan, hier in dit godvergeten dorpje, ontmoet ik drie Brusselse meisjes die rondtrekken in China. Het versterkt mijn ervaring dat je bijna nooit Belgen tegenkomt, maar als dat toch zo is, dan is het op de onmogelijkste plekken.
Mijn laatste dag zal ook de zwaarste worden. Er scheiden mij nog 105 km tot Shangarila, maar ook 3 cols die ver boven de 3 000 m gaan. De ijverige gastvrouw maakt mij een lunchpakket met twee "baba 's". De eerste klim verteer ik uitstekend. Het weer is goed, en de omgeving schitterend. Bijna het hele gebied is natuurreservaat. De tweede berg lijkt me steiler te zijn. Ik haal meestal niet meer dan 7 km/u. Maar als ik onderweg mijn hartslag controleer, tel ik tot mijn geruststelling niet meer dan 130 slagen per minuut. Bovendien zijn het er na 4 minuten rusten nog maar 80 meer.
Tijdens de afdaling breekt er een onweer los. Ik rij met een moordende snelheid naar beneden. Er is een dorpje, en in een restaurantje kan ik niet alleen schuilen, maar ook iets eten. Bijna een uur klettert het langs alle kanten. Zelfs de mensen hier lijken bang te zijn. Als het onweer ophoudt, lopen de vrouwen met schoppen naar buiten, en maken de grachten langs de weg schoon. Ofschoon het nog steeds regent, besluit ik de laatste klim aan te vangen. Tot hoog in de wolken zwoeg ik tot 3 700 m boven zeeniveau. Ik zie er ook de eerste jakken. Helemaal boven op de pashoogte staan enkele vrouwen naar mij te wuiven als waren zij een verwelkomingscomité. Ze hebben er hun tent opgeslagen om paddenstoelen te plukken die op de lokale markt, en vooral in Japanse restaurants veel geld opbrengen.
Er volgt een lange afdaling. Soms moet ik oppassen voor overstekende jakken. De eerste huizen verraden de nabijheid van Tibet: dikke pilaren, vestingachtige muren en trapezoïde ramen, om nog niet te spreken van de kleurrijke gebedsvlaggetjes. Na 10 km dalen wordt het vlakker. Een laatse korte klim - die toch pijn doet - en in de verte verschijnt Shangarila, het paradijs op aarde, volgens het boek "The Lost Horizon" van de Engelse schrijver James Hilton (1933). Pas enkele jaren geleden gaven de Chinese autoriteiten deze naam aan de stad die voorheen Zhongdian heette, om er zo een toeristische verantwoording aan te geven.

Maar voor mij is Shangarila inderdaad het paradijs, al lijkt het er niet op als ik over bemodderde straten naar het centrum rijd. Na een beetje zoeken vind ik een hotel. Slechts één meisje spreekt er een beetje Engels. Maar de kamer is goed, en ik ben maar wat blij als ik vuil, zweet en vermoeidheid met lekker warm water van me af kan spoelen.
Net als Lijiang bestaat ook Shangarila uit een nieuw en een oud stadsdeel. Boven het oude deel troont de Guishan tempel met zijn enorme gebedsmolen. Het zou de grootste gebedsmolen ter wereld zijn, en je hebt heel wat kracht nodig om ze aan het draaien te krijgen. Maar let op ... de molen is geen historisch pronkstuk want ze dateert van 2002!
De bevolking is overwegend Tibetaans. Met hun roze hoofddoeken zijn de vrouwen opvallend goed te herkennen. 's Avonds komt iedereen samen op het pleintje en wordt er uren aan een stuk gedanst op traditionele muziek. Iedereen kan meedoen aan deze volksdansen, man en vrouw, jong en oud, inwoner en toerist. En wie niet meedoet geniet zonder twijfel door te kijken naar dit bonte en kleurrijke schouwspel.
Een laatste hoogtepunt wordt mijn bezoek aan het Tibetaanse Songzanlin klooster. Het lijkt erg veel op het Potala klooster in Lhasa, en wordt daardoor ook wel het "Kleine Potala" genoemd. Het werd gebouwd door de 5de DalaiLama in 1679. Op het hoogste terras staan twee tempels, Zhacang en Jikang. Rondom bevinden zich honderden kleine woningen voor de monikken .In totaal zouden er ongeveer 700 monniken aan het klooster verbonden zijn. In de tempel zou er zelfs plaats zijn voor 1 600 zielen om er te zingen en te mediteren. Jammer genoeg mogen er binnen in de gebouwen geen foto 's gemaakt worden.

Na twee dagen Shangarila is het tijd om terug te keren naar Thailand. Ik heb een vlucht gereserveerd in de vroege ochtend, maar als ik met een taxi op de luchthaven aankom, blijkt er nog geen kat te bespeuren. Na bijna een uur wachten en een identiteitscontrole van de politie, kan ik inchecken. Tegen de middag ben ik in Kunming. Mijn vlucht naar Bangkok is pas over twee dagen, dus kan ik de stad nog een beetje gaan verkennen. Als ik echter mijn ingepakte fiets bij de “Baggage Deposit” wil achterlaten, knikt een onwillige dame nee. Er is valt niet mee te praten, en ook vriendelijk lachen of kwaad kijken helpt niet. Mijn fiets opnieuw uitpakken wil ik niet, en met een ingepakte fiets een hotel gaan zoeken, wil ik ook niet. Bij "Information" krijg ik het telefoonnummer van Thai Airways, en binnen een minuut heb ik mijn vlucht (gratis!) gewijzigd naar vandaag.
Ik heb nog twee uren tijd vooraleer in te checken. Ik neem mijn fiets mee naar het restaurant. De meisjes daar zijn overvriendelijk. Ze werpen zelfs nog een net over mijn fiets en blijven erbij staan als waren ze zijn bodyguard. Enkele uren later ben ik op weg naar Bangkok. Uit het venster zie ik een dik wolkendek ... Yunnan, wat vertaald uit het Chinees  "Land achter de wolken" betekent ...

Medan - Bengkulu
01/07/1996 to 01/08/1996

Na een rechtstreekse vlucht vanuit Parijs landt de 747 rond het middaguur op de kleine luchthaven van Medan. Na enig sleutelen aan mijn fiets ga ik op zoek naar een hotel. In Indonesië rijdt men links, en dat valt in het begin niet mee. Na een uurtje rondrijden neem ik een kamer in het Sri Deli hotel, een oud koloniaal gebouw naast een parkje. Twee dagen laat ik me rondrijden door een becakrijder. Ik spreek een vaste prijs met hem af, en nodig hem enkele keren uit om met me te eten. Op zijn beurt troont hij me mee naar zijn huisje aan de rand van de stad. 
Medan is geen wereldstad. Het lijkt eerder een groot dorp te zijn. De moskee is echter gigantisch, en zo getuige van het diepe islamitisch geloof van de meeste inwoners.

De eerste fietsdag rij ik via Tebingtinggi in de richting van het Tobameer. In het begin is er veel verkeer, maar als ik tussen de rubberplantages naar de hoogvlakte rijd, wordt het rustiger. Ik hoor enkel het geluid van fietsbellen: mannen rijden met oude Hollandse fietsen tussen de bomen, en verzamelen in hun kruiken de witte latex.
Een typisch padang menu geeft me nieuwe energie. Zo bereik ik na twee dagen het 1000 m hoog gelegen Tobameer, een kratermeer, honderden meters diep en met een oppervlakte van 1146 km². Het is zo 'n 70 000 jaar geleden ontstaan door de grootste vulkaanuitbarsting op aarde in de laatste 2 miljoen jaar! De tobavulkaarn is een echter "supervolcano" en een uitbarsting kan dramatische gevolgen hebben voor de hele aarde.

Ik neem een kamer nabij de aanlegsteiger waar de boten vertrekken naar het schiereiland Samosir. Op Samosir wonen de Toba Bataks. Deze mensen waren tot het eind van de 19de eeuw nog kannibalen. Na hun bekering tot het christendom door een Duitse missionaris zijn ze een christelijke minderheid in het overwegend islamitische Indonesië.
Ik verblijf twee nachten op het eiland. Rosa, een jonge Tobavrouw, heeft voorgesteld mijn gids te zijn. Met een motor bezoeken we enkele dorpen met hun typische huizen. We genieten ook van - commerciële - Batakdansen waar de muzikaliteit van dit volk tot uiting komt, en we eten heerlijk verse vis uit het meer. 
In vijf dagen rijd ik over de 1 000 m hoge vulkaanketen van het Tobameer naar het kernland van de Minangkabauwers. Het is een echte tocht door de jungle. Veel dorpen zijn er niet onderweg, en het enige geluid is dikwijls het krijsen van apen of de roep van een vogel.
Goede accomodatie is er ook nauwelijks te vinden. De kamers bestaan meestal uit 4 muren en een bed. Bovendien krioelt het er van de kakkerlakken en ander ongedierte. In Hatunopan heb ik geen keuze: een kamer boven het restaurant bij een drukke busstop. De hele nacht is er lawaai, en kakkerlakken en ander ongedierte kruikt overal op de afgebladerde muren. Ik ben blij als ik de volgende dag weer op de fiets zit ... als is het in de pletsende regen.
Midden in de jungle ligt een grote islamistische school. Een van de studenten nodigt me uit in zijn klein kamertje, maar de gastvrijheid is des te groter. In Bonjol steek ik "zonder problemen" de evenaar over.

Bukkitinggi is het culturele centrum van de Minangkabauwers. Deze matriarchale samenleving heeft nog veel van haar tradities behouden. Gelegen tussen enkele dreigende vulkanen zijn de omliggende gronden erg vruchtbaar. Er zijn ook talrijke goede hotels. Ik geniet er dan ook met volle teugen van, en samen met een Duitse ingenieur worden er heel wat liters bier doorgespoeld.
Een daguitstap met een erg goede gids leert mij meer over deze matriarchale samenleving. We bezoeken een koffieplantage en een smidse en nemen een kijkje in een traditioneel huis. In Batusangkar bewonderen we het enorme houten paleis, eigenlijk een replica van het afgebrande origineel uit de 15de eeuw, maar daarom niet minder imposant omdat er geen enkele nagel of ander metaal aan te pas is gekomen.

Vanuit Bukkitinggi daal ik naar het 600 m lager gelegen Minanjaumeer. Ook dit is een kratermeer. Hetpanorama is zo spectaculair dat ik besluit om een extra rustdag te nemen ... Tijdens die vrije dag wil ik een ritje rond het meer maken. Maar de 50 km zijn zo goed als niet verhard, en mijn fiets krijgt het hard te verduren. Maar de natuur is overweldigend: de fraaie vergezichten over het meer en de heerlijke rust bezorgen mij een onvergetelijke dag. Bovendien krijgt de dag nog een staartje als ik 's avonds in een restaurantje eet met een gewezen Nederlandse fysiotherapeute en een Zwitser koppel. Na de maaltijd wordt er gedronken om het meest ... De Zwitsers moeten tenslotte het onderspit delven voor de Lage Landen. Als er op de tafel geen plaats meer is voor een nieuwe fles, besluit ik om te gaan slapen.
De volgende ochtend ben ik om 6 u al op weg voor de 150 km naar Padang. De hoofdstad van West Sumatra heeft een enorme markt. Je kan er zo goed als alles vinden. De mensen zijn overal even vriendelijk. Ik zal hier moeten terugkeren na mijn fietstocht om er de boot te nemen naar Java.

Maar eerst moet ik nog naar Bengkulu, zo 'n 560 km voornamelijk langs de kust. Slapen doe ik meestal in een losmen, een gebouw met eenvoudige kamers. Ondanks het feit dat de weg langs de kust loopt, zijn er vele korte maar steile heuvels. De temperatuur is hier merkelijk hoger dan in de bergen. En de jungle is op veel plaatsen afgebrand om er plaats te maken voor - gedwongen - migranten uit oostelijke eilanden van de Indonesische archipel. Toch zie ik op een zeker ogenblik twee wilde zwijnen voor mij de weg oversteken, en wat verderligt een pas doodgereden katachtig roofdier bloedend op de weg. Ik rijd langs verlaten maar idylische stranden, en door uitgestrekte palmolie -en cacaoplantages. Tijdens mijn laatste dag passeer ik een bruiloft. Ik moet stoppen en de bruid gelukwensen. Ik geeft een klein geschenk aan haar, en in ruil mag ik een kleurrijke foto nemen.

Ik blijf twee dagen in Bengkulu. Er valt niet veel te beleven: het oude fort dat telkens als het werd aangevallen ook werd ingenomen, en het huis waar Sukarno enkele jaren verbleef na zijn verbanning door de Nederlanders zijn de enige trekpleisters.
Met een bus rijd ik gedurende een hele nacht terug naar Padang waar ik met een boot naar Java zal varen.

Saigon - Hanoi
13/07/1995 to 06/08/1995

Juli 1995. Meer dan 24 uren ben ik vanaf Brussel via Singapore onderweg geweest naar Saigon. De voormalige hoofdstad van Zuid Vietnam heet nu officieel Ho Chi Minh City, maar ik ben nu eenmaal Saigon gewoon. Nadat ik mijn fiets heb nagekeken, begeef ik me op weg naar het centrum. Het is een geweldig gevoel om tussen de duizenden fietsers en motorrijders te fietsen. Ik vind makkelijk mijn weg naar het Champagne hotel, waar ik vanaf de luchthaven van Singapore telefonisch een kamer hebgeboekt.
Gedurende drie dagen slenter ik rond in de stad. Ik bezoek er enkele tempels en de kleurrijke markten. Een boottochtje tussen de buitenwijken doet me het echte Saigon zien: houten paalwoningen waar de mensen dicht op elkaar leven. Het water van de kanaaltjes wordt voor alles gebruikt: wassen, koken, toilet, zwemmen ... Eens was Saigon het Parijs van het Verre Oosten. Maar slechts enkele Franse koloniale gebouwen getuigen nog van die periode. Het hotel Continental, waar "The Quiet American" van Graham Greene verbleef, is er eentje van. In Cholon, de Chinese wijk, waar de jonge Marguerite Duras haar maagdelijkheid verloor, zijn de uithangborden bijna allemaal in onleesbaar Chinees. Het Vietnamese schrift daarentegen is sinds de Franse kolonisatie in ons Latijns alfabet veranderd.

Na drie dagen Saigon heb ik er genoeg van. Ik ben bekomen van de lange vluchts, het is tijd om me klaar temaken voor een 1800 km lange tocht naar het noordelijke Hanoi. Omdat de eerstvolgende grote stad zo 'n 200 km verder ligt, nodigt Miss To van de hotelreceptie me uit om in Xuan Loc bij haar ouders te logeren. Ik neem het aanbod gretig aan, en de volgende avond zit ik onder het oog van haar familie te worstelen met mijn eetstokjes. 's Avonds heb ik een lang gesprek met haar vader, het hoofd van deze uitgebreide familie: grootmoeder, ouders, kinderen en kleinkinderen. Een zoon is gesneuveld in de oorlog met Cambodia, een ander woont in Australië, Miss To woont in Saigon en een andere dochter studeert aan de universiteit van Moskou.

Over een heuvelachtig parcours rij ik naar de kuststad Phan Tiet. Vandaar gaat de hoofdweg meestal dicht langs de kust naar Nha Trang. Het verkeer bestaat vooral uit enerzijds lokale fietsers en motorrijders, en anderzijds vrachtwagens en bussen die de grote steden met elkaar verbinden. Nha Trang is misschien we de meest relaxe stad van Vietnam. Er bevinden zich goede hotels, er is een mooi strand en er heerst een typische vakantiesfeer. Tegen valavond begint iedereen er rond te rijden met zijn fiets of motor. Ik besluit om de massa te vervoegen, maar voor ik het besef rij ik verloren tussen houten paalwoningen op het strand. Het is inmiddels donker geworden, en de olielampjes zorgen voor een heel aparte sfeer.

De volgende dag begint goed: om 7 u. ben ik al een partijtje biljart aan het spelen op een van de vele biljarttafels die er te vinden zijn. Na 80 km begint de wind erg in het gezicht te blazen. Bovendien krijg ik lekke band. Het moertje van de binnenband krijg ik er echter niet af, maar een bereidwillige motorrijder neemt mijn wiel mee naar een smid die na een half uurtje het probleem heeft opgelost. In Tuy Hoa betaal ik een relatief hoog bedrag voor een heel sobere kamer. Ik herstel de lekke band en spaak mijn wielen.
Op weg naar Quy Nhon verorber ik de ene pho na de ander. Deze heerlijke soep met grote stukken groenten en kleine stukjes vlees, kip of vis is mijn belangrijkste voedsel geworden onderweg. Ik stop eventjes bij een zoutraffinaderij: het zijn allemaal vrouwen die er werken, goed ingepakt tegen de brandende hitte van zon en zout. Ook op de velden zijn het bijna altijd de kleine, tengere maar oh zo taaie vrouwen die het werk doen. De beelden uit de Vietnam oorlog, waar vrouwen even hard vochten als mannen, blijken geen fictie geweest te zijn. Van Quy Nhon rijd ik naar Sa Huynh. Er ligt een verlaten vakantieoord net voor het binnenrijden van het dorp. De kust is slechts 50 m. verder. Het is een heerlijke plek om te verblijven. Ik besluit er een rustdag te nemen. 's Avonds wandel ik langs de met olielampjes verlichte stalletjes waar heerlijk verse krabben verkocht worden.

Via Tam Ky en Hoi An bereik ik 2 dagen later Danang. Daar vind ik eindelijk een kamer die een beetje aan onze normen beantwoordt. De volgende ochtend sta ik om 8 u al op de top van de Col des Nuages. Daarna gaat het snel naar Hué. Ik zoek een kamer en maak een wandeling door de stad die me dadelijk bevalt. Hué is de oude keizerlijke stad van Vietnam. Achter de citadel bevindt zich net als in Bejing een Verboden Stad. Veel is er echter niet meer te zien. Het Tet-offensief in 1968 maakte niet alleen duizenden slachtoffers, maar betekende ook de vernietiging van alle historische gebouwen. Met de hulp van de Unesco worden ze nu geleidelijk hersteld. Op de oever van de Parfum rivier huur ik een boot om me naar de keizerlijke graven te laten brengen. Het wordt een prachtige tocht, langs de Thien Mu Pagode, en naar de graftombes van Tu Duc en Minh Mang. Daar maak ik kennis met Beatice en haar Vietnamese vriendin Huong. Ze nodigen me uit voor een avondlijk boottochtje met diner en privé orkestje. Terwijl we genieten van het heerlijke voedsel, en luisteren naar de zachte muziek, drijven er op het zwarte water honderden kaarslichtjes in kleine papieren origami bootjes. Het is een wonderlijke avond ... Intussen heb ik in het Lac Thien restaurant kennis gemaakt met Miss Ngoc. Heel de familie is doofstom, maar ze serveren heerlijke pannenkoekjes met garnalen. 's Anderendaags neemt Ngoc een vrije dag. Samen nemen we een taxi naar het strand, waar we genieten van de rust en van de overheerlijke krabben.

Eenmaal Hué achter me gelaten, bevind ik me al snel in de gedemilitariseerde zone. Hier bevond zich van 1954 tot 1975 de grens tussen Noord en Zuid. De weg wordt slechter, de voorzieningen schaarser. Om 11 u. heb ik al 100 km gereden. Maar dan krijg ik de klop van de hamer. Als ik na 170 km in Dong Hoi aankom, ben ik volledig uitgeput. Ik kruip vroeg in bed. De volgende dag heb ik nog steeds lood in de benen. Na ongeveer 30 km merk ik uitdrogingsverschijnselen. Ik voel me duizelig en mijn urine is donker als trappistenbier. Als ik met een veerpont een rivier oversteek, besluit ik in een bus te kruipen. De fiets wordt op het dak vastgebonden. 13 uren duurt deze verschrikkelijke rit, zittend op een houten bankje naast de chauffeur. In het donker zoek ik mijn weg in Hanoi. Gelukkig vind ik snel een hotelletje waar ik de nodige rust vind om terug op te knappen. Hanoi is aangenaam. De talrijke meren en parken in het stadscentrum ademen een ongewone rust uit. Als Ngoc me komt bezoeken, voel ik me beter dan ooit. Mijn laatste twee dagen bezoek ik Halong Bay. Het is een toeristisch uitstapje, maar de groene rotsen in het turkooise water zijn schitterend. Vietnam is een prachtig land, met een taaie, maar vriendelijke bevolking. Het noorden beviel me meer dan het zuiden, Hanoi meer dan Saigon, maar geen van beide kon Hué overtreffen.