1988, Naar Istanbul

In 1988 woonde ik in Maasmechelen. Elke ochtend zag ik vanuit mijn appartement de zon opkomen: “Het daghet inden oosten …”. Ooit had dat oosten met mannen met tulbanden en vrouwen verscholen achter sluiers, iets geheimzinnigs, iets mysterieus. Maar na enkele jaren les te hebben gegeven in de mijnschool in Eisden, Maasmechelen, was het mystieke helemaal verdwenen. Toch was door de vele Turkse leerlingen mijn interesse voor hun vaderland er niet minder om geworden. Bovendien mogen we niet vergeten dat Istanbul ook een deel van onze westerse beschaving is. 1000 Jaar geleden was er nog geen sprake van Turkije, zelfs niet van de Osmanen. Toen waren het hoofdzakelijk Grieken, Koerden, Armeniërs e.a. volkeren die Anatolië bewoonden. Het huidige Istanbul heette toen nog Constantinopel, waar de opvolgers van de Romeinse keizers tot 1453 zouden blijven regeren.

De eerste dag van een fietsreis is er altijd eentje van veel kilometers. Ik ben nog fris, vol goeie goesting, en niets belet mij om heel vroeg op te staan. In Nederland is men nog steeds in de roes van de overwinning op het Europees voetbalkampioenschap. In één ruk fiets ik naar de Rijn bij Sinzig en vervolgens naar Rhens waar ik overdonderd word door een plots onweer. Ik ben verplicht om een “zimmer frei” te zoeken. Na een stevige maaltijd, enkele glazen wijn en een goed bed, val ik al vlug in slaap.

De Königsstuhl in Rhens.

Na een bezoek aan de Königsstuhl waar de keurvorsten van het Duitse Rijk in de middeleeuwen hun koning kozen, fiets ik langs de oevers van de Rijn tot Mainz. Er is zelfs een fietspad wat me toelaat om te genieten van de vele kastelen. De Lorelei is geen probleem als fietser en bij Mainz verlaat ik de rivier. Ik fiets in één dag naar de Romantische Straße. Ook daar is een fietspad, maar ik krijg er zowaar drie keer een lekke band.
De Romantische Strasse leidt me door prachtige stadjes, langs velden en kastelen en eindigt tenslotte voor mij in Augsburg. Daar maak ik een ommetje naar de Fuggerei, de eerste sociale woningen in Europe, gefinancierd door de Beierse bankier Fugger, de grote geldschieter van Keizer Karel in de 16de eeuw.
Net voor München leidt een vriendelijke fietser mij helemaal tot in het hartje van de stad. Na een zoveelste Apfelstrudel zet ik mijn tentje recht in het Oostenrijkse Oberaudorf. Het is een kleine camping aan een meertje. Als de uitbater mij een pils tapt, en meermaals bijvult om alsmaar dikker schuim te maken, vertelt hij mij dat een pils pas goed is als je een pfennig op het schuim kunt leggen zonder dat hij zinkt.

Het fietspad op de Romantische Straße met in de verte de torens van Rotheburg o/d Tauber.

Ik moet een beslissing nemen voor de te volgen route: ofwel de makkelijke weg over de Alpen via de Brenner, ofwel de moeilijkste oplossing via de Großglockner Hochalpemstraße. Ik kies uiteindelijk voor de moeilijkste wegZo eindigt de volgende dag in Fusch an der Großglocknerstraße in plaats van in Innsbruck bij de Brennerpas. Ik neem er een eerste “rustdag”. Die bestaat uit een wandeling van 15 km heen en terug naar Zell am See. Wandelen heb ik altijd als één van de beste manieren gevonden na een lange fietsdag om te recupereren en, vooral, om mijn zitvlak een beetje te rust te gunnen.

Vanaf Ferleiten, waar wagens tol moeten betalen, tot aan de Hochtor tunnel zijn 13 km met een hoogteverschil van 1300 m. Een gemiddelde van 10 %. En alhoewel mijn lichaam vanbinnen alsmaar warmer wordt, beginnen handen en voeten stillaan te bevriezen. Na 2200 m liggen er pakken sneeuw langs de weg. Eindelijk bereik ik de Hochtor tunnel. Vlug een foto voor de archieven, en dan een razendsnelle afdaling langs Heiligenblut om daarna nog twee, weliswaar lagere, cols de doen. Uiteindelijk eindigt de dag in een gezellig pension waar de eigenares maar al te blij is om een babbeltje te kunnen slaan nadat haar echtgenoot onlangs overleden was.

Daar ligt de Groβglockner Hochalpstraβe.

Na de Passo di Monte Croce Carnico en een stukje Italië wachten mij 1000 km langs de Adriatische kust. Ik steek eerst het Istrische schiereiland over. Joegoslavië is in 1988 nog niet verdeeld, maar dat de weg tussen Slovenië en Kroatië over verschillend kilometers nagenoeg onberijdbaar is voor een fietser, deed me toen al twijfelen over de eenheid van het land.
Tot Zadar hop ik van het ene eiland naar het andere, Eerst via een nieuwe brug naar het eiland zonder klinkers, Krk. Daarna gaat het naar Rab waar ik overnacht, en vervolgens via Pag, waar ik bij een boer van de heerlijke Pagska kaas proef naar de oude stad Zadar.
Onderweg, op het stukje vasteland, zie ik twee Franse fietsers. De één rijdt 200 m voor de ander. Zij waren voor enkele dagen in de grotten van Postojna. Daar werd nagenoeg al hun geld gestolen. Of dat invloed heeft gehad op hun vriendschap, weet ik niet. Maar enige steun hebben ze blijkbaar niet meer aan elkaar. Op dat moment wordt me duidelijk dat alleen fietsen zeker geen slechtere optie is.

De weg tussen Slovenië en Kroatië is deels zelfs onberijdbaar.

Na Zadar fiets ik weer op de hoofdweg, de bijna 1000 km lange Jadranska Magistrale. De uitzichten zijn inderdaad magistraal over de diepblauwe zee en de talrijke eilandjes. In Split bezoek ik niet alleen het paleis van de Romeinse keizer Diocletianus maar ook het prachtig aan de kust gelegen museum van de bekende beeldhouwer Ivan Meštrović.
Van Split naar Dubrovnik zijn weer meer dan 200 km, maar plaatsen als de Makarska Rivièra doen de vermoeidheid vergeten. Tegen de avond ben ik op de camping in Dubrovnik, De meeste vakantiegangers zijn Duitsers met hun grote mobile homes of caravans. Ze zijn uitermate vriendelijk, en ik word elke avond bij één van hen uitgenodigd om samen te eten, barbecueën en veel bier of wijn te drinken.

De mooie Dalmatische kust.

Kotor is mijn laatste halte aan de Adriatische kust. Maar wat een ligging! De Boka Kotorska lijkt wel een Noors Fjörd in de Middellandse Zee. Bij het controleren van mijn fiets, zie ik dat ik een tandje mis aan het grootste tandwiel achteraan. Ik besluit dit tandwiel niet meer te gebruiken en zal dus verplicht worden om groter te trappen op de volgende cols. Ik geniet van de mooie omgeving. De versterkte muren van het stadje lopen tot hoog in de bergen. Op de markt vind ik voldoende voorraad om morgen het onbekende binnenland van Joegoslavië binnen te rijden. Het doosje multivitaminen dat ik in België had gekocht, zal ongeopend maar wel helemaal gekreukt tot terug in België met mij mee reizen. ’s Avonds geniet ik van een prachtige zonsondergang boven de Baai van Kotor.

Zonsondergang op de camping in Kotor.

En die volgende col begint de volgende dag al vanaf de eerste meters. De Lövcen Put ligt 1212 boven het zeeniveau. De 28 haarspeldbochten leiden achter mij naar een fenomenaal panorama. Voor mij ligt het veel armere Montenegro, het land van de zwarte bergen. Misschien is het ooit anders geweest, toen de heerser prins-bisschop Petar II Petrovic-Njegos in de 19de eeuw zelfs een biljart over de Lövcen Put door muilezels naar zijn paleis in Cetinje liet slepen.

Montenegro, het land der zwarte bergen.

Ik fiets oostwaarts op de grens tussen Kosovo en Servië, niet wetende dat dit enkele jaren later vuil oorlogsgebied zou gaan worden. De weg door de kloof van de Moraca rivier is prachtig. Als ik denk een camping te zien, stop ik en begin ik mijn tentje op te zetten. Maar het blijkt een privé camping te zijn waar twee Servische families op vakantie komen. Maar geen nood, ze nodigen mij uit om met hen het avondeten te nuttigen, weerom met de nodige wijn.
Van Skopje onthoud ik nog het meest iets dat 25 jaar eerder was gebeurd: we hadden thuis een jaarboek van 1963, en daardoor herinnerde ik mij de aardbeving van dat jaar in de buurt van Skopje. Een stuwdam begaf het en er vielen een duizendtal doden en meer dan 120 000 mensen werden dakloos.
Alsmaar meer valt me de voormalige Turkse (Osmaanse) invloed op: kleding, minaretten, tapijten … Ook hier in Skopje, waar door de sultans van Istanbul wel het christelijke geloof was toegelaten zolang de torens van de kerken niet hoger waren dan de huizen.

In een razend tempo fiets ik zuidwaarts naar Thessaloniki. Net voor de Griekse grens overnacht ik op één van de vuilste campings ooit. Maar wanneer ik aankom in de grootste Noord-Griekse stad voel ik me de koning te rijk. In de schaduw van de Witte Toren bestel ik een dubbele Ouzo en een portie heerlijke groene olijven. Het smaakt naar meer … de camping zal toch niet zo veraf zijn. Maar achter de Witte Toren staat de man met de hamer klaar om toe te slaan. De camping blijkt 30 km verder te liggen, en alhoewel de weg biljartvlak is, worden het van de zwaarste kilometers van mijn leven.
Maar zoals gewoonlijk, alles wat moeite kost, is waardevol. Zo ook de camping op Agia Triada, waar ik niet alleen 2 welverdiende rustdagen vind op het idyllische strand, maar waar ik ook aangenaam gezelschap heb van de Duitse Ushi.

Een spectaculaire weg klieft door de Moraca kloof.

Nog vier dagen fietsen scheiden mij van Istanbul. Kavala was in 1769 de geboorteplaats van Mohammed Ali, Toen was heel dit deel van de Middellandse Zee nog in handen van de Osmanen. Nadat Napoleon Egypte verlaten had, werd Mohammed Ali gouverneur van het land en hervormde het drastisch. Zijn nakomeling overleefden de val van het Osmaanse Rijk en bleven als koning aan de macht in Egypte tot 1953. Als ik Kavala verlaat, bieden enkele arbeiders mij een koffie aan.
De regio waardoor ik fiets werd door de Oude Grieken Thracië genoemd. Het werd in de 4de eeuw AD opgeslorpt door Macedonië en kreeg er een stad bij die, zoals zovele, genoemd werd naar de Macedonische koning, Alexandroupolis, stad van Alexander (de Grote).
De Grieks-Turkse grens voelt een beetje vijandig aan ondanks het feit dat beide landen NATO-bondgenoten zijn. Het duurt een tijdje vooraleer ik kan passeren. Bovendien blijken alle banken gesloten te zijn zodat ik verplicht ben om in Keşan te overnachten in een hotel waar men met plezier Duitse marken aanneemt. In de bar van het hotel maak ik kennis met enkele Turkse zakenmensen. We drinken raki en eten gedroogd fruit. Na een tijdje beginnen ze te zingen en eindigen tenslotte boven op de toog onder het luid bejubelen van de vader des vaderlands, Kemal Ataturk.

Nog voor zonspopgang ben ik op pad voor een lange rit naar Istanbul.

Nog voor zonsopgang ben ik alweer op pad om de 230 km tot Istanbul in één dag te kunnen overbruggen. Er is maar één weg mogelijk, de drukke autoweg die van Europa naar het Midden Oosten leidt. Het is enorm druk, aftandse VW-busjes en rammelende Mercedessen, meestal met Duitse nummerplaten, gepakt en gezakt, en al enkele dagen onderweg zonder veel slaap. Komt daar nog bij dat de smalle pechstrook nagenoeg onberijdbaar is omwille van het door de hitte gesmolten asfalt. Ook in Tekirdağ kan ik geen geld wisselen. De banken zijn gesloten vanwege het Kurban Bayramı, het Turks offerfeest. Hoe heb ik dat in godsnaam kunnen vergeten! Ik ben dus wel verplicht om door te rijden tot Istanbul. Ik ben dan ook uitgeput als ik de stad aan de Bosporus bereik. In één van de voorsteden zie ik een camping. Ik aarzel niet, zet er mijn tentje recht en val eventjes later in slaap.

De autobaan naar Istanbul is levensgevaarlijk, vooral door de smalle en in slechte staat zijnde pechstrook.

Ik blijf maar twee dagen in Istanbul. Ik bekijk wel de belangrijkste gebouwen, maar ik ben te moe om ten volle te genieten. De drukte, het getoeter, ik word er niet blij van. Het meest geniet ik nog van een biertje met een Russische dokter in één van de kroezelige cafeetjes onder de houten Galatabrug. Enkele jaren later werd de brug door een brand vernield en vervangen door een veel minder gezellige betonnen constructie.
Toch kan ik Istanbul niet verlaten zonder eerst de Aya Sofia gezien te hebben. Het is aanschuiven om de 1500 jaar oude kerk binnen te gaan. En alhoewel de Turken ze na de verovering van Constantinopel in 1453 “omdoopten” tot een moskee, en later door Ataturk de status van een museum kreeg, om recent weer een moskee te worden, is en blijft de Aya Sofia een wonder van de christelijke architectuur.

De koepel van de Aya Sofia, al 1500 jaar zwevend in de hemel.

Met één van de tientallen veerboten doe ik de oversteek van Europa naar Azië. Vanaf Yalova is het nog een zeventigtal kilometer fietsen tot Bursa. Voordat Constantinopel in 1453 werd veroverd, was Bursa gedurende enige tijd de hoofdstad van de Osmanen. Maar ook later zou de stad één van de belangrijkste culturele plaatsen blijven, niet in het minst omdat hier de turbe van Osman staat, de stichter van de dynastie der Osmanen, die tot begin van de twintigste eeuw het Nabije Oosten zouden beheersen.
Twee dagen heb ik nodig om tot Bergama, het antieke Pergamon te fietsen. Ergens halfweg zet ik mijn tentje op achter een verlaten tankstation. Maar wild kamperen is niet mijn ding: ik slaap onrustig, word wakker bij het minste geluid, en ben de volgende dag niet echt uitgeslapen. Het voordeel is dat ik al vroeg op pad ben en dus een lange dag heb om te fietsen. Zo bereik ik de heuvel waarop de archeologische site van Pergamon ligt al voor het middaguur. De klim naar boven is steil, maar het zicht over het goed bewaarde antieke theater is adembenemend.

De volgende dag rij ik naar Izmir, het oude Smyrna. Tot aan het einde van de Eerste Wereldoorlog bestond de bevolking vooral uit Grieken en Armeniërs. Daarom hoorde Izmir en zijn omgeving in het Verdrag van Sèvres (1920) niet bij de nieuwe Turkse republiek. Maar dat was zonder Ataturk en zijn troepen gerekend die twee jaar later het gebied niet alleen heroverden, maar de stad nagenoeg volledig plat brandden. Daardoor heeft Izmir vandaag een moderner look dan andere oude steden.
Ik zoek en vind in Izmir een boot van de Turkse Maritieme Dienst die me naar Venetië zal brengen. Ik moet echter enkele dagen wachten. Dus zoek ik een dolmuş, een gedeelde taxi die pas vertrekt als er voldoende volk in zit. Samen met nog enkele andere toeristen vind ik zo een vervoermiddel om Efeze te gaan bezoeken. Weinig oude Griekse steden zijn beter bewaard gebleven dan het antieke Ephesos met zijn prachtig theater en zijn overbekende bibliotheek.

Waterpijpen in Izmir.

Na 4 dagen Izmir vertrek ik voor een aangename tocht over de Egeïsche Zee, door het kanaal van Korinthe en dan noordwaarts naar de lagunestad. Ik ben de enige fietser aan boord, maar er zijn ook enkele motorrijders. Net als ik verkiezen zij om ’s nachts niet in een stoel te slapen. maar om onze slaapzak of het dek uit te rollen. Eén van hen, een Duitser, geeft mij een boek om de tijd te verdrijven: “Soweit die füβe tragen”. Nog voor ik terug in België ben, heb ik het boek uit.
Ik maak ook kennis met de Zwitserse Ursula. Samen met haar vriendin heeft ze in het Nabije Oosten rondgezworven. Ze woont bij haar ouders pal op de route die ik had uitgestippeld om huiswaarts te rijden. Ze nodigt me dan ook uit om er volgende week te overnachten.

Met een boot in de Venetië aankomen is een onvergetelijke belevenis. Toch verlaat ik na het ontschepen onmiddellijk de stad en rij over de Via della Libertà naar het vasteland. Mijn planning is om in tien dagen terug thuis te zijn. Daarvoor moet ik weer over de alpen. Maar eerst rij ik westwaarts door de Po-vlakte waar ik bekende plaatsen als Padua, Verona en Brescia passeer. Pas als ik Bergamo voorbij ben, keer ik noordwaarts.
Aan het Meer van Lecco controleer ik of mijn fiets nog in orde is om de hoogste alpenpassen te trotseren. Ik kies voor de Nufenen en de Grimsel, die ik in één dag bedwing. Vooral de Grimsel met het uitzicht op de machtige Rhônegletsjer is een heel mooie klim.

Ik werp een laatste blik op de mooie Zwitserse Alpen.

Als ik in Kölliken aankom liggen de mooie alpen achter mij. Ik krijg er een bed en een typisch gezonde Zwitserse maaltijd bij de ouders van Ursula. Zwitsers kunnen soms een beetje stuurs lijken, maar als je te gast bent, dan word je tot in de puntjes verzorgd. De volgende dag gaat het snel. Als een paard de stal ruikt kan het altijd een beetje meer. Via Bazel kom ik in de Elzas, fiets ik over de Vogezen en langs de Moezel naar Luxemburg dan over de Baraque de Fraiture terug naar thuis.
Na 51 dagen heb ik zo’n 5000 km afgelegd in 36 fietsdagen.


Back to main page.