1996, Sumatra

De fietstocht door Sumatra, het meest westelijke eiland van de Indonesische archipel, kan worden samengevat in twee delen: fietsen door de jungle, en fietsen langs de kust. En ofschoon op een wereldkaart Sumatra niet zo groot lijkt, was dit toch een tocht van zo’n 1400 km.

Landen met een Boeing 747 op de kleine luchthaven van Medan is een belevenis die vergelijkbaar is met landen op de oude luchthaven van Hongkong. Alleen zijn de wolkenkrabbers en de zee vervangen door oerwoud en sloppenwijken. Het voordeel is dat de rit van de luchthaven naar het centrum slechts enkele minuten duurt. De lange vlucht is in de benen gekropen, en ik aarzel niet te lang om bij een eenvoudig hotel in te checken.
Het eerste wat ik de volgende ochtend doe, is een becakrijder aanspreken en vragen of ik hem kan reserveren voor 2 volle dagen. Het zal een goed idee blijken te zijn. De laatste avond nodigt hij me zelfs uit bij zijn familie aan de rand van de stad.
Medan is dan wel de hoofdstad van Sumatra, het lijkt toch meer op een groot dorp. Maar dan een dorp met een geweldige moskee. De tijd breng ik vooral door met acclimatiseren en genieten van de lokale keuken.

Na twee dagen is het tijd om te vertrekken. Ik rijd eerst enkele kilometers langs de kust om daarna bij Tebing Tinggi zuidwaarts te klimmen naar een plateau dat zo’n 1000 m boven de zeespiegel ligt. Onderweg overnacht ik in een verrassend mooi guesthouse om de volgende middag aan te komen in Parapat aan het prachtige Toba meer. Daar scheep ik samen met volgepakte Toba Bataks in om naar het eiland Samosir te varen.

Het Toba meer is een kratermeer van bijna 100 km lengte en 35 km breedte. De uitbarsting zo’n 74 000 jaar geleden vernietigde bijna alle leven op aarde. Sommige wetenschappers beweren zelfs dat er slechts enkele duizenden homo sapiens overleefden en dat daardoor alle huidige mensen zo op elkaar lijken.
In het midden van het meer ligt het eiland Samosir. Ik vind er een mooi guesthouse waar ik enkele dagen wil verblijven.
De inwoners van Toba zijn de Bataks. Tot eind 19de eeuw was het niet abnormaal dat er mensen geofferd werden en zelfs gegeten. De dorpjes zijn met stenen muren beveiligd. De huizen hebben opmerkelijk hoge spits oplopende daken. Ik huur een scooter en verken het eiland. In een dorpje voert men een bruiloftsceremonie uit met muziek en dans, en met de bekende Sigale Gale poppendans.

Tussen Toba en mijn volgende rustplaats Bukittingg liggen 500 km fietsen door de jungle. De weg is vrij recent aangelegd. Gelukkig is er af een toe een stadje waar ik kan overnachten. Maar niet altijd slaap ik even goed. In Tarutung zitten de afgebladderde muren vol met kakkerlakken en ander ongedierte. Bovendien is bij dit veel te dure hotel een bushalte waar constant mensen luidruchtig op de volgende bus staan te wachten. In een ander stadje is het kamertje zelfs nog vuiler, en het toilet – op de gang – een stinkend gat vol met shit. Maar soms heb ik geen keus.
Op een avond wordt de hemel als het ware verduisterd door een enorme zwerm grote vogels. Maar het zijn geen vogels! Het zijn kalongs of vliegende vossen, grote fruitvleermuizen die op zoek gaan naar voedsel. Hun spanwijdte kan tot 1.5 m bedragen!

Op een bepaald moment passeer ik midden in de jungle een lange rij met allemaal kleine houten hutjes. De straat is vol met in het wit geklede studenten die hier naar een universiteit zouden gaan. Eén van hen nodigt me zelfs uit om thee te drinken in zijn stulpje. Ik heb me later dikwijls afgevraagd of dit niet een begin was van de beruchte islamitische opleidingskampen in Indonesië.
Bij Bingöl rij ik over de evenaar. Veel merk ik er niet van, maar vanaf dan zal het water in de gootsteen rechtsom in plaats van linksom draaien.

Bukittinggi is de culturele hoofdstad van de Minangkabauers. Wie ooit Max Havelaar heeft gelezen, zal zich die naam zeker nog herinneren. Oorspronkelijk waren de Minangkabauers een matriarchale maatschappij, maar onder invloed van de patriarchale islam is daar niet veel van overgebleven.
Ik blijf 2 dagen in de stad. Als ik een kijkje neem in de armtierige dierentuin, ontmoet ik de hoteleigenaar van Tarutung met zijn dochtertje. Ik ben er zeker van dat hij me heeft afgezet, maar dat hij misschien net daardoor het kind een uitstapje kan bezorgen, vertedert mijn hart.
Een volle dag trek ik in gezelschap van enkele andere toeristen en onder leiding van een uitstekende gids, rond in de vruchtbare omgeving van de stad. Steeds zie ik op de achtergrond wel ergens een vulkaan. We bezoeken koffieplantages, lopen rond in het grootste houten gebouw van het land en zien hoe ambachtelijk er soms nog gewerkt wordt.

In één rit daal ik af van Bukittinggi naar het Maninjau meer. Het zicht is adembenemend. Ook dit is een kratermeer, ontstaan zo’n 50 000 jaar geleden.
Ik verblijf er twee dagen in een kamer met een balkon op het meer. Het water is hier ondiep en warm. Verderop wordt het meer dieper, tot zo’n 165 m onder het wateroppervlak.
Als ik ’s avonds een restaurantje opzoek, zit ik al snel bij een Nederlandse jongedame en een Zwitsers koppel. We eten samen, en dan ontstaat er als het ware een drinkwedstrijd tussen enerzijds de Lage Landen en anderzijds de Zwitsers. Als er op de tafel geen plaats meer is voor nog een nieuwe fles bier, besluiten we er toch maar mee op te houden.
De volgende dag maak ik een fietstochtje rond het meer. De afstand bedraagt ongeveer 50 km, maar het zijn vooral de onverharde stroken die bezaaid zijn met scherpe stenen, die de fietstocht behoorlijk lastig maken. Toch geniet ik van de mooie uitzichten zowel op als rond het meer.

Weer staat er maar één dag fietsen naar de volgende rustplaats op het programma. Padang is na de hoofdstad Medan ongetwijfeld de belangrijkste plaats in Sumatra. Ik neem een degelijk hotel. Het eerste wat ik doe is zoeken naar een boot die me na afloop van mijn fietstocht, naar Java kan brengen. Dat lukt vrij makkelijk. Maar eerst moet ik nog naar Bengkulu fietsen, en vandaar op een of andere manier zien terug te keren naar Padang.
In Padang bezoek ik de kleurrijke markt waar iedereen met een brede glimlach rondloopt. Ik geniet van de rijke Padang keuken en bij een bakker koop ik lekkere eclairs. Hier op zeeniveau is het beduidend warmer dan op het plateau waar ik de vorige twee weken heb vertoefd. Een siesta is dan ook het beste wat ik kan doen na de lunch.

Ik doe vijf dagen over de meer dan 500 km tot Bengkulu, soms langs de verlaten kust, soms langs grote oppervlakten verbrande jungle die plaats moet maken voor rubber – of andere plantages.
Op een dag zie ik het kadaver van een doodgereden katachtige op de weg liggen, kleiner dan een tijger, maar groter dan een lynx. Het vernietigen van het oerwoud heeft ook voor deze mooie dieren een catastrofaal gevolg.
Aangenamer is het moment dat ik een bruiloft passeer. Ik moet met de prachtig uitgedoste bruid en haar gevolg op de foto. Ze nodigen me zelfs uit om deel te nemen aan de maaltijd, maar wegens tijdsgebrek kan ik met dat niet veroorloven. Ik voel me bovendien te zeer een outsider in deze nog traditionele gemeenschap.

Op dit deel van de reis slaap ik meestal in een losmen (afkomstig van het Nederlandse logement). Het zijn goedkope slaapgelegenheden met een minimum aan personeel en faciliteiten. Maar voor één nacht zijn ze een prima oplossing voor mij. De douche is er vervangen door een “mandi”, een grote ton water met een potje waarmee je water uit de ton schept en dan over je lichaam giet. Tegen de muggen en andere insecten is er het muskietennet over het bed, en de spiraaltjes die je laat smeulen en die een geur verspreiden die de muggen liever ontwijken.

Bengkulu is de belangrijkste stad in het oosten van Sumatra. De eerste president na de onafhankelijkheid in 1949, Soekarno, werd naar hier in de dertiger jaren een tijdje verbannen door de Nederlanders wegens zijn verzet tegen de kolonisator. In het huis waar hij toen verbleef is nu een klein museum.
Het fort Marlborough dat in het begin van de 18de eeuw door de Engelsen werd gebouwd, is één van de sterkste in zijn soort in Zuid-Oost Azië. Gelegen aan de kust was het vooral gericht tegen eventuele aanvallen vanuit de zee. Enkele jaren later, toen de Nederlanders en Engeland bij verdrag hun invloedssferen in deze regio herschikten, kwam het fort in Nederlandse handen.

Twee dagen na mijn aankomst in Bengkulu rijd ik met een nachtbus terug naar Padang. Daar kan ik een dag later inschepen op de boot die ik eerder had gereserveerd om naar Jakarta in Java te varen. Als ik mij wil douchen, zie ik tientallen kakkerlakken in de douche. Gelukkig verdwijnen ze zodra ik het water laat lopen.
De tocht duurt 3 dagen. Als we de haven van Jakarta in zicht krijgen, sta ik langs een Indonesische vrouw die plots bloemen in het water werpt. Ik vraag haar naar de betekenis hiervan. Dan vertelt ze me dat haar grootvader hier tijdens de Tweede Wereldoorlog is verdronken toen hun schip getorpedeerd werd door de Japanners.
Wanneer ik aan wal stap, eindigt dit deel van mijn reis waar voor de leden van de VOC, de Verenigde Oost-Indische Company, in vroegere tijden een nieuwe reis begon.